Geleidewapen Fregatten - Navy Inside Navyinside.nl
Navy Inside

Zoekveld

Navy Inside
De twee geleidewapen fregatten van de “Trompklasse” waren in de periode van 1975 tot 2001 in dienst bij de Nederlandse marine. Het waren in de tijd dat de fregatten in dienst kwamen moderne schepen, ingericht voor de luchtverdediging en commandovoering. De klasse vormde de kern van de groep eskaderschepen van de Nederlandse marine.
De twee geleidewapen fregatten van de “Trompklasse” waren in de periode van 1975 tot 2001 in dienst bij de Nederlandse marine. Het waren in de tijd dat de fregatten in dienst kwamen moderne schepen, ingericht voor de luchtverdediging en commandovoering. De klasse vormde de kern van de groep eskaderschepen van de Nederlandse marine.

Bouw en ontwikkeling

De Nederlandse vloot bestond in de jaren ’60 uit kruisers, onderzeebootjagers, fregatten en een vliegkampschip. Deze schepen waren uitgerust met voornamelijk kanons. De dreiging die vanuit de Sovjet-Unie kwam, liet de Nederlandse marine zien dat er een modernisering van de Nederlandse vloot nodig was. De fregatten van de Van Speijkklasse waren in aanbouw, waarmee de marine een technologische stap voorwaarts maakte. Deze fregatten waren voornamelijk ontwikkeld om te dienen als escorteur.
De grootste dreiging die van Russische zijde uitging, kwam vanuit de onderzeebootvloot. De onderzeeboten waren bewapend met ballistische raketten tegen landdoelen. Deze dreigingsontwikkeling deed de behoefte groeien aan een snellere reactie van de scheepsbewapening. Deze snellere reactie vroeg om een eerdere detectie en identificatie van doelen. Daarbij was om te beginnen een snelle dreigingsevaluatie nodig en een snellere doelaanwijzing aan het gekozen wapensysteem.
De geleidewapen fregatten vormden als nieuwbouwproject een breuk met het verleden. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse marine sterk genoeg om de ontwerp- en bouwfase alleen te doorlopen en daarbij goede keuzes te maken. Bij de ontwikkeling van de fregatten werd gekozen voor de toepassing van gasturbines, in plaats van de gebruikelijke stoom voortstuwing. De fregatten werden uitgerust met nieuwe radarsystemen, zoals de 3D-radar. Deze nieuwe radarsystemen produceerden een dusdanige grote stroom met informatie, dat slechts door toepassing van automatisering gebruik gemaakt kon worden van deze informatie.
In 1970 werd de Koninklijke Maatschappij de Schelde aangewezen als bouwer van de twee nieuwe fregatten. Vanwege de velen innovaties stegen de kosten als snel. Tijdens de ontwerpfase werd dan ook al bezuinigd op het boegkanon, radioapparatuur, sonar en beeldkasten in de commandocentrale. Het eerste fregat werd in 1973 tewater gelaten en in 1975 in dienst gesteld. Het tweede fregat volgde in 1976.

Moderne SeWaCo-systemen

De geleidewapen fregatten waren de eerste fregatten die uitgerust waren met een commandocentrale. Het DAISY-datahandlingstsysteem van de fregatten zorgden ervoor dat de grote hoeveelheid aan gegevens die geproduceerd werd door de 3D radar geordend en verwerkt werden. De 3D -radar was uniek en voor die tijd zeer geavanceerd. Behalve richting en afstand kon men ook de hoogte van een doel bepalen. De beeldopbouw die het systeem bood was daarmee beter dan voorgaande systemen, waarmee het door middel van een vetpotlood de beeldopbouw tot stand werd gebracht. Het geautomatiseerde Sewaco systeem werkte in “realtime”. Snellere doelen konden tijdig en met grote kans op succes onder vuur worden genomen. De 3D radar was in een bol boven de brug geplaatst. De kenmerkende kunststof bol (radome) beschermde de 3D radar tegen weersinvloeden en bezorgde de schepen in de beginjaren de bijnaam “Kojak”, naar de toenmalige populaire kaalhoofdige acteur Telly Savalas.

Bewapeninge

De primaire taak van de geleidewapen fregatten was het bieden van luchtverdediging en het optreden als vlaggenschip voor een taakgroep. Secundair waren de onderzeebootbestrijding, oppervlakteverdediging en ondersteuning van kustoperaties. Als vredestaken golden verder het optreden als vlaggenschip, het leveren van politiediensten zowel nationaal als internationaal, rampenbestrijding en vlagvertoon.
De hoofdbewapening tegen luchtdoelen bestond uit een Tartar Standard Missile System. De SM-1 kon worden ingezet voor luchtdoelen tot ca. 35 kilometer. Tegen luchtdoelen op kortere afstand hadden de fregatten een Mk.29 lanceerinrichting met acht NATO Sea Sparrow Missiles (NSSM).
Op het voorschip was een 120mm M1950 kanon geplaatst. De kanons voor de twee GW-fregatten waren afkomstig van de onderzeebootjager Hr.Ms. Gelderland. Er werd gekozen voor een ouder systeem, omdat dit de kosten zou drukken. Tegen onderzeeboten waren de schepen uitgerust met torpedo lanceerinrichtingen. Deze lanceerinrichtingen konden naar de zee gedraaid worden. In de jaren ’80 werden de twee fregatten uitgerust met het Goalkeeper close-in-weapon-systeem. Dit snelvurend kanon had een vuursnelheid van 4200 kogels per minuut en was bedoelt voor nabij verdediging.

Inzet

De Geleidewapen fregatten hebben veel nautische mijlen afgelegd. De fregatten zijn uitgezonden in de Golfoorlog in 1990 en als onderdeel van Standing Naval Forces Mediterranean naar de kust van voormalig Joegoslavië gestuurd. Na verloop van tijd werden de fregatten steeds vaker naar Europese wateren gestuurd.

Uitdienst stelling

In de jaren ’90 bleek dat de schepen verouderd waren. Daarnaast kampte de schepen met diverse problemen. Zo bleek dat de combinatie staal en aluminium, waaruit de schepen gebouwd waren, niet ideaal. De opbouw van de fregatten bestond uit aluminium. De 3D-radar en het kanon waren dusdanig zwaar, dat er vaak scheurtjes in de opbouw werden geconstateerd. Daarbij was de kenmerkende bol niet altijd even goed bestand tegen weersinvloeden.
In de jaren ’90 begon men met de ontwikkeling van een nieuw type fregat. Eind jaren ’90 werd begonnen met de bouw van deze vervangers van de GW-fregatten: de Luchtverdedigings- en Commandofregatten van de De Zeven Provinciënklasse. Het eerst schip zou in 2002 in dienst worden gesteld en de resterende standaard-, luchtverdedigings- en geleidewapenfregatten gaan vervangen.
In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Specificaties

Afmetingen lengte: 138m; breedte: 14,8m; diepgang: 6,6m
Water verplaatsing 4500 ton
Bemanning 300 man
Voortstuwing Rolls-Royce Olympus gasturbine en Rolls-Royce Tyne gasturbine
Maximale snelheid 30 knopen
Bewapening Goalkeeper close-in-weapon-system
Dubbelloops 120mm Bofors boordkanon
8 AGM-84 Harpoon Surface-to-Surface missiles
Mk29 lanceersysteem voor RIM-7 Sea Sparrow Missiles
Mk13 lanceersysteem voor RIM-24 Tartar en later RIM-66 Standard Missile 1
2 lanceerinrichtingen voor de Mark 46 torpedo
2 20mm Oerlikon mitrailleurs
2 Westland Lynx helikopters

Bemanningslijsten

Bouw en ontwikkeling

De Nederlandse vloot bestond in de jaren ’60 uit kruisers, onderzeebootjagers, fregatten en een vliegkampschip. Deze schepen waren uitgerust met voornamelijk kanons. De dreiging die vanuit de Sovjet-Unie kwam, liet de Nederlandse marine zien dat er een modernisering van de Nederlandse vloot nodig was. De fregatten van de Van Speijkklasse waren in aanbouw, waarmee de marine een technologische stap voorwaarts maakte. Deze fregatten waren voornamelijk ontwikkeld om te dienen als escorteur.
De grootste dreiging die van Russische zijde uitging, kwam vanuit de onderzeebootvloot. De onderzeeboten waren bewapend met ballistische raketten tegen landdoelen. Deze dreigingsontwikkeling deed de behoefte groeien aan een snellere reactie van de scheepsbewapening. Deze snellere reactie vroeg om een eerdere detectie en identificatie van doelen. Daarbij was om te beginnen een snelle dreigingsevaluatie nodig en een snellere doelaanwijzing aan het gekozen wapensysteem.
De geleidewapen fregatten vormden als nieuwbouwproject een breuk met het verleden. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse marine sterk genoeg om de ontwerp- en bouwfase alleen te doorlopen en daarbij goede keuzes te maken. Bij de ontwikkeling van de fregatten werd gekozen voor de toepassing van gasturbines, in plaats van de gebruikelijke stoom voortstuwing. De fregatten werden uitgerust met nieuwe radarsystemen, zoals de 3D-radar. Deze nieuwe radarsystemen produceerden een dusdanige grote stroom met informatie, dat slechts door toepassing van automatisering gebruik gemaakt kon worden van deze informatie.
In 1970 werd de Koninklijke Maatschappij de Schelde aangewezen als bouwer van de twee nieuwe fregatten. Vanwege de velen innovaties stegen de kosten als snel. Tijdens de ontwerpfase werd dan ook al bezuinigd op het boegkanon, radioapparatuur, sonar en beeldkasten in de commandocentrale. Het eerste fregat werd in 1973 tewater gelaten en in 1975 in dienst gesteld. Het tweede fregat volgde in 1976.

Moderne SeWaCo-systemen

De geleidewapen fregatten waren de eerste fregatten die uitgerust waren met een commandocentrale. Het DAISY-datahandlingstsysteem van de fregatten zorgden ervoor dat de grote hoeveelheid aan gegevens die geproduceerd werd door de 3D radar geordend en verwerkt werden. De 3D -radar was uniek en voor die tijd zeer geavanceerd. Behalve richting en afstand kon men ook de hoogte van een doel bepalen. De beeldopbouw die het systeem bood was daarmee beter dan voorgaande systemen, waarmee het door middel van een vetpotlood de beeldopbouw tot stand werd gebracht. Het geautomatiseerde Sewaco systeem werkte in “realtime”. Snellere doelen konden tijdig en met grote kans op succes onder vuur worden genomen. De 3D radar was in een bol boven de brug geplaatst. De kenmerkende kunststof bol (radome) beschermde de 3D radar tegen weersinvloeden en bezorgde de schepen in de beginjaren de bijnaam “Kojak”, naar de toenmalige populaire kaalhoofdige acteur Telly Savalas.

Bewapeninge

De primaire taak van de geleidewapen fregatten was het bieden van luchtverdediging en het optreden als vlaggenschip voor een taakgroep. Secundair waren de onderzeebootbestrijding, oppervlakteverdediging en ondersteuning van kustoperaties. Als vredestaken golden verder het optreden als vlaggenschip, het leveren van politiediensten zowel nationaal als internationaal, rampenbestrijding en vlagvertoon.
De hoofdbewapening tegen luchtdoelen bestond uit een Tartar Standard Missile System. De SM-1 kon worden ingezet voor luchtdoelen tot ca. 35 kilometer. Tegen luchtdoelen op kortere afstand hadden de fregatten een Mk.29 lanceerinrichting met acht NATO Sea Sparrow Missiles (NSSM).
Op het voorschip was een 120mm M1950 kanon geplaatst. De kanons voor de twee GW-fregatten waren afkomstig van de onderzeebootjager Hr.Ms. Gelderland. Er werd gekozen voor een ouder systeem, omdat dit de kosten zou drukken. Tegen onderzeeboten waren de schepen uitgerust met torpedo lanceerinrichtingen. Deze lanceerinrichtingen konden naar de zee gedraaid worden. In de jaren ’80 werden de twee fregatten uitgerust met het Goalkeeper close-in-weapon-systeem. Dit snelvurend kanon had een vuursnelheid van 4200 kogels per minuut en was bedoelt voor nabij verdediging.

Inzet

De Geleidewapen fregatten hebben veel nautische mijlen afgelegd. De fregatten zijn uitgezonden in de Golfoorlog in 1990 en als onderdeel van Standing Naval Forces Mediterranean naar de kust van voormalig Joegoslavië gestuurd. Na verloop van tijd werden de fregatten steeds vaker naar Europese wateren gestuurd.

Uitdienst stelling

In de jaren ’90 bleek dat de schepen verouderd waren. Daarnaast kampte de schepen met diverse problemen. Zo bleek dat de combinatie staal en aluminium, waaruit de schepen gebouwd waren, niet ideaal. De opbouw van de fregatten bestond uit aluminium. De 3D-radar en het kanon waren dusdanig zwaar, dat er vaak scheurtjes in de opbouw werden geconstateerd. Daarbij was de kenmerkende bol niet altijd even goed bestand tegen weersinvloeden.
In de jaren ’90 begon men met de ontwikkeling van een nieuw type fregat. Eind jaren ’90 werd begonnen met de bouw van deze vervangers van de GW-fregatten: de Luchtverdedigings- en Commandofregatten van de De Zeven Provinciënklasse. Het eerst schip zou in 2002 in dienst worden gesteld en de resterende standaard-, luchtverdedigings- en geleidewapenfregatten gaan vervangen.
In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Specificaties

Afmetingen lengte: 138m; breedte: 14,8m; diepgang: 6,6m
Water verplaatsing 4500 ton
Bemanning 300 man
Voortstuwing Rolls-Royce Olympus gasturbine en Rolls-Royce Tyne gasturbine
Maximale snelheid 30 knopen
Bewapening Goalkeeper close-in-weapon-system
Dubbelloops 120mm Bofors boordkanon
8 AGM-84 Harpoon Surface-to-Surface missiles
Mk29 lanceersysteem voor RIM-7 Sea Sparrow Missiles
Mk13 lanceersysteem voor RIM-24 Tartar en later RIM-66 Standard Missile 1
2 lanceerinrichtingen voor de Mark 46 torpedo
2 20mm Oerlikon mitrailleurs
2 Westland Lynx helikopters

Bemanningslijsten

Bouw en ontwikkeling

De Nederlandse vloot bestond in de jaren ’60 uit kruisers, onderzeebootjagers, fregatten en een vliegkampschip. Deze schepen waren uitgerust met voornamelijk kanons. De dreiging die vanuit de Sovjet-Unie kwam, liet de Nederlandse marine zien dat er een modernisering van de Nederlandse vloot nodig was. De fregatten van de Van Speijkklasse waren in aanbouw, waarmee de marine een technologische stap voorwaarts maakte. Deze fregatten waren voornamelijk ontwikkeld om te dienen als escorteur.
De grootste dreiging die van Russische zijde uitging, kwam vanuit de onderzeebootvloot. De onderzeeboten waren bewapend met ballistische raketten tegen landdoelen. Deze dreigingsontwikkeling deed de behoefte groeien aan een snellere reactie van de scheepsbewapening. Deze snellere reactie vroeg om een eerdere detectie en identificatie van doelen. Daarbij was om te beginnen een snelle dreigingsevaluatie nodig en een snellere doelaanwijzing aan het gekozen wapensysteem.
De geleidewapen fregatten vormden als nieuwbouwproject een breuk met het verleden. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse marine sterk genoeg om de ontwerp- en bouwfase alleen te doorlopen en daarbij goede keuzes te maken. Bij de ontwikkeling van de fregatten werd gekozen voor de toepassing van gasturbines, in plaats van de gebruikelijke stoom voortstuwing. De fregatten werden uitgerust met nieuwe radarsystemen, zoals de 3D-radar. Deze nieuwe radarsystemen produceerden een dusdanige grote stroom met informatie, dat slechts door toepassing van automatisering gebruik gemaakt kon worden van deze informatie.
In 1970 werd de Koninklijke Maatschappij de Schelde aangewezen als bouwer van de twee nieuwe fregatten. Vanwege de velen innovaties stegen de kosten als snel. Tijdens de ontwerpfase werd dan ook al bezuinigd op het boegkanon, radioapparatuur, sonar en beeldkasten in de commandocentrale. Het eerste fregat werd in 1973 tewater gelaten en in 1975 in dienst gesteld. Het tweede fregat volgde in 1976.

Moderne SeWaCo-systemen

De geleidewapen fregatten waren de eerste fregatten die uitgerust waren met een commandocentrale. Het DAISY-datahandlingstsysteem van de fregatten zorgden ervoor dat de grote hoeveelheid aan gegevens die geproduceerd werd door de 3D radar geordend en verwerkt werden. De 3D -radar was uniek en voor die tijd zeer geavanceerd. Behalve richting en afstand kon men ook de hoogte van een doel bepalen. De beeldopbouw die het systeem bood was daarmee beter dan voorgaande systemen, waarmee het door middel van een vetpotlood de beeldopbouw tot stand werd gebracht. Het geautomatiseerde Sewaco systeem werkte in “realtime”. Snellere doelen konden tijdig en met grote kans op succes onder vuur worden genomen. De 3D radar was in een bol boven de brug geplaatst. De kenmerkende kunststof bol (radome) beschermde de 3D radar tegen weersinvloeden en bezorgde de schepen in de beginjaren de bijnaam “Kojak”, naar de toenmalige populaire kaalhoofdige acteur Telly Savalas.

Bewapeninge

De primaire taak van de geleidewapen fregatten was het bieden van luchtverdediging en het optreden als vlaggenschip voor een taakgroep. Secundair waren de onderzeebootbestrijding, oppervlakteverdediging en ondersteuning van kustoperaties. Als vredestaken golden verder het optreden als vlaggenschip, het leveren van politiediensten zowel nationaal als internationaal, rampenbestrijding en vlagvertoon.
De hoofdbewapening tegen luchtdoelen bestond uit een Tartar Standard Missile System. De SM-1 kon worden ingezet voor luchtdoelen tot ca. 35 kilometer. Tegen luchtdoelen op kortere afstand hadden de fregatten een Mk.29 lanceerinrichting met acht NATO Sea Sparrow Missiles (NSSM).
Op het voorschip was een 120mm M1950 kanon geplaatst. De kanons voor de twee GW-fregatten waren afkomstig van de onderzeebootjager Hr.Ms. Gelderland. Er werd gekozen voor een ouder systeem, omdat dit de kosten zou drukken. Tegen onderzeeboten waren de schepen uitgerust met torpedo lanceerinrichtingen. Deze lanceerinrichtingen konden naar de zee gedraaid worden. In de jaren ’80 werden de twee fregatten uitgerust met het Goalkeeper close-in-weapon-systeem. Dit snelvurend kanon had een vuursnelheid van 4200 kogels per minuut en was bedoelt voor nabij verdediging.

Inzet

De Geleidewapen fregatten hebben veel nautische mijlen afgelegd. De fregatten zijn uitgezonden in de Golfoorlog in 1990 en als onderdeel van Standing Naval Forces Mediterranean naar de kust van voormalig Joegoslavië gestuurd. Na verloop van tijd werden de fregatten steeds vaker naar Europese wateren gestuurd.

Uitdienst stelling

In de jaren ’90 bleek dat de schepen verouderd waren. Daarnaast kampte de schepen met diverse problemen. Zo bleek dat de combinatie staal en aluminium, waaruit de schepen gebouwd waren, niet ideaal. De opbouw van de fregatten bestond uit aluminium. De 3D-radar en het kanon waren dusdanig zwaar, dat er vaak scheurtjes in de opbouw werden geconstateerd. Daarbij was de kenmerkende bol niet altijd even goed bestand tegen weersinvloeden.
In de jaren ’90 begon men met de ontwikkeling van een nieuw type fregat. Eind jaren ’90 werd begonnen met de bouw van deze vervangers van de GW-fregatten: de Luchtverdedigings- en Commandofregatten van de De Zeven Provinciënklasse. Het eerst schip zou in 2002 in dienst worden gesteld en de resterende standaard-, luchtverdedigings- en geleidewapenfregatten gaan vervangen.
In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Specificaties

Afmetingen lengte: 138m; breedte: 14,8m; diepgang: 6,6m
Water verplaatsing 4500 ton
Bemanning 300 man
Voortstuwing Rolls-Royce Olympus gasturbine en Rolls-Royce Tyne gasturbine
Maximale snelheid 30 knopen
Bewapening Goalkeeper close-in-weapon-system
Dubbelloops 120mm Bofors boordkanon
8 AGM-84 Harpoon Surface-to-Surface missiles
Mk29 lanceersysteem voor RIM-7 Sea Sparrow Missiles
Mk13 lanceersysteem voor RIM-24 Tartar en later RIM-66 Standard Missile 1
2 lanceerinrichtingen voor de Mark 46 torpedo
2 20mm Oerlikon mitrailleurs
2 Westland Lynx helikopters

Bemanningslijsten

Bouw en ontwikkeling

De Nederlandse vloot bestond in de jaren ’60 uit kruisers, onderzeebootjagers, fregatten en een vliegkampschip. Deze schepen waren uitgerust met voornamelijk kanons. De dreiging die vanuit de Sovjet-Unie kwam, liet de Nederlandse marine zien dat er een modernisering van de Nederlandse vloot nodig was. De fregatten van de Van Speijkklasse waren in aanbouw, waarmee de marine een technologische stap voorwaarts maakte. Deze fregatten waren voornamelijk ontwikkeld om te dienen als escorteur.
De grootste dreiging die van Russische zijde uitging, kwam vanuit de onderzeebootvloot. De onderzeeboten waren bewapend met ballistische raketten tegen landdoelen. Deze dreigingsontwikkeling deed de behoefte groeien aan een snellere reactie van de scheepsbewapening. Deze snellere reactie vroeg om een eerdere detectie en identificatie van doelen. Daarbij was om te beginnen een snelle dreigingsevaluatie nodig en een snellere doelaanwijzing aan het gekozen wapensysteem.
De geleidewapen fregatten vormden als nieuwbouwproject een breuk met het verleden. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse marine sterk genoeg om de ontwerp- en bouwfase alleen te doorlopen en daarbij goede keuzes te maken. Bij de ontwikkeling van de fregatten werd gekozen voor de toepassing van gasturbines, in plaats van de gebruikelijke stoom voortstuwing. De fregatten werden uitgerust met nieuwe radarsystemen, zoals de 3D-radar. Deze nieuwe radarsystemen produceerden een dusdanige grote stroom met informatie, dat slechts door toepassing van automatisering gebruik gemaakt kon worden van deze informatie.
In 1970 werd de Koninklijke Maatschappij de Schelde aangewezen als bouwer van de twee nieuwe fregatten. Vanwege de velen innovaties stegen de kosten als snel. Tijdens de ontwerpfase werd dan ook al bezuinigd op het boegkanon, radioapparatuur, sonar en beeldkasten in de commandocentrale. Het eerste fregat werd in 1973 tewater gelaten en in 1975 in dienst gesteld. Het tweede fregat volgde in 1976.

Moderne SeWaCo-systemen

De geleidewapen fregatten waren de eerste fregatten die uitgerust waren met een commandocentrale. Het DAISY-datahandlingstsysteem van de fregatten zorgden ervoor dat de grote hoeveelheid aan gegevens die geproduceerd werd door de 3D radar geordend en verwerkt werden. De 3D -radar was uniek en voor die tijd zeer geavanceerd. Behalve richting en afstand kon men ook de hoogte van een doel bepalen. De beeldopbouw die het systeem bood was daarmee beter dan voorgaande systemen, waarmee het door middel van een vetpotlood de beeldopbouw tot stand werd gebracht. Het geautomatiseerde Sewaco systeem werkte in “realtime”. Snellere doelen konden tijdig en met grote kans op succes onder vuur worden genomen. De 3D radar was in een bol boven de brug geplaatst. De kenmerkende kunststof bol (radome) beschermde de 3D radar tegen weersinvloeden en bezorgde de schepen in de beginjaren de bijnaam “Kojak”, naar de toenmalige populaire kaalhoofdige acteur Telly Savalas.

Bewapeninge

De primaire taak van de geleidewapen fregatten was het bieden van luchtverdediging en het optreden als vlaggenschip voor een taakgroep. Secundair waren de onderzeebootbestrijding, oppervlakteverdediging en ondersteuning van kustoperaties. Als vredestaken golden verder het optreden als vlaggenschip, het leveren van politiediensten zowel nationaal als internationaal, rampenbestrijding en vlagvertoon.
De hoofdbewapening tegen luchtdoelen bestond uit een Tartar Standard Missile System. De SM-1 kon worden ingezet voor luchtdoelen tot ca. 35 kilometer. Tegen luchtdoelen op kortere afstand hadden de fregatten een Mk.29 lanceerinrichting met acht NATO Sea Sparrow Missiles (NSSM).
Op het voorschip was een 120mm M1950 kanon geplaatst. De kanons voor de twee GW-fregatten waren afkomstig van de onderzeebootjager Hr.Ms. Gelderland. Er werd gekozen voor een ouder systeem, omdat dit de kosten zou drukken. Tegen onderzeeboten waren de schepen uitgerust met torpedo lanceerinrichtingen. Deze lanceerinrichtingen konden naar de zee gedraaid worden. In de jaren ’80 werden de twee fregatten uitgerust met het Goalkeeper close-in-weapon-systeem. Dit snelvurend kanon had een vuursnelheid van 4200 kogels per minuut en was bedoelt voor nabij verdediging.

Inzet

De Geleidewapen fregatten hebben veel nautische mijlen afgelegd. De fregatten zijn uitgezonden in de Golfoorlog in 1990 en als onderdeel van Standing Naval Forces Mediterranean naar de kust van voormalig Joegoslavië gestuurd. Na verloop van tijd werden de fregatten steeds vaker naar Europese wateren gestuurd.

Uitdienst stelling

In de jaren ’90 bleek dat de schepen verouderd waren. Daarnaast kampte de schepen met diverse problemen. Zo bleek dat de combinatie staal en aluminium, waaruit de schepen gebouwd waren, niet ideaal. De opbouw van de fregatten bestond uit aluminium. De 3D-radar en het kanon waren dusdanig zwaar, dat er vaak scheurtjes in de opbouw werden geconstateerd. Daarbij was de kenmerkende bol niet altijd even goed bestand tegen weersinvloeden.
In de jaren ’90 begon men met de ontwikkeling van een nieuw type fregat. Eind jaren ’90 werd begonnen met de bouw van deze vervangers van de GW-fregatten: de Luchtverdedigings- en Commandofregatten van de De Zeven Provinciënklasse. Het eerst schip zou in 2002 in dienst worden gesteld en de resterende standaard-, luchtverdedigings- en geleidewapenfregatten gaan vervangen.
In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Specificaties

Afmetingen lengte: 138m; breedte: 14,8m; diepgang: 6,6m
Water verplaatsing 4500 ton
Bemanning 300 man
Voortstuwing Rolls-Royce Olympus gasturbine en Rolls-Royce Tyne gasturbine
Maximale snelheid 30 knopen
Bewapening Goalkeeper close-in-weapon-system
Dubbelloops 120mm Bofors boordkanon
8 AGM-84 Harpoon Surface-to-Surface missiles
Mk29 lanceersysteem voor RIM-7 Sea Sparrow Missiles
Mk13 lanceersysteem voor RIM-24 Tartar en later RIM-66 Standard Missile 1
2 lanceerinrichtingen voor de Mark 46 torpedo
2 20mm Oerlikon mitrailleurs
2 Westland Lynx helikopters

Bemanningslijsten