Kruisers - Navy Inside Navyinside.nl
Navy Inside

Zoekveld

U bent hier

U bent hier

De twee kruisers van de "De Ruyterklasse" waren in de periode van 1953 tot 1973 in dienst van de Nederlandse marine. De kruisers waren in 1939 op stapel gezet, maar door het uitbreken van de Tweede wereldoorlog kwam het eerste schip, de "Hr.Ms. De Ruyter" pas in 1953 in de vaart. Beide kruisers zijn in de jaren '70 verkocht aan Peru.
De twee kruisers van de "De Ruyterklasse" waren in de periode van 1953 tot 1973 in dienst van de Nederlandse marine. De kruisers waren in 1939 op stapel gezet, maar door het uitbreken van de Tweede wereldoorlog kwam het eerste schip, de "Hr.Ms. De Ruyter" pas in 1953 in de vaart. Beide kruisers zijn in de jaren '70 verkocht aan Peru.

Afbeeldingen

De Tweede Wereldoorlog

De kruisers van de "Eendrachtklasse" werden op 5 september 1939 op stapel gezet. Het nieuwbouw project was bedoelt om de drie kruisers van de "Javaklasse" te vervangen in Nederlands-Indië. De kruisers werden gebouwd door Wilton Fijenoord en de RDM. Het eerste schip werd door de RDM gebouwd en het tweede door Wilton Fijenoord. De bouw van beide schepen verliep voorspoedig en beide schepen zouden in 1942 opgeleverd moeten worden. In 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. Door het uitbreken van de oorlog werd de bouw van beide kruisers onderbroken. De Nederlandse marine beschouwde de twee in aanbouw zijnde schepen als verloren, terwijl de Duitse bezetters de kruisers als een goede buit zagen. De Kriegsmarine nam de contracten inclusief betalingen van de Nederlandse marine over en kreeg op deze manier het Nederlandse werfpersoneel weer aan het werk.
De Duitse marine maakte een nieuw ontwerp voor de twee kruisers: Kreutzer Holland 1 (een opleidingskruiser) en Kreutzer Holland 2. De belangrijkste wijzingen aan het ontwerp waren te zien in de vorm van de boeg. De boeg van de KH1 werd verbouwd naar een Atlantikbug, waardoor het schip langer werd dan haar zuster. Beide schepen zouden in 1942 in dienst moeten komen, maar door sabotage en gebrek aan materiaal is deze opleverdatum nooit gehaald. De Duitsers als gevolg van ontwikkelingen, die niet in het voordeel van de Duitsers waren, de KH1 tot zinken brengen, maar van dat plan is ook niets van terecht gekomen. Bij het einde van de oorlog vertrokken de Duitsers en lieten de twee onvoltooide casco's achter.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er niet veel meer over van de Nederlandse vloot. Veel schepen zijn tot zinken gebracht of hebben bij het uitbreken van de oorlog hun werf van aanbouw niet kunnen verlaten. De drie grote vooroorlogse kruisers, Hr.Ms. Java, Sumatra en De Ruyter, hadden de oorlog niet overleeft. Het materieel wat de oorlog wel overleefde, zoals de lichte kruisers "Hr.Ms. Tromp" en "Hr.Ms. Jacob van Heemskerck" waren door het intensieve oorlogsgebruik versleten. De bouw van de twee achtergelaten kruisers werd hervat. De bouw begon met de opdracht om beide kruisercasco's te conserveren en vervolgens de toestand van de casco's in kaart te brengen. In samenwerking met de Britten werd onderzocht of de kruisers op zinvolle manier konden worden afgebouwd. In 1946 werd door de minister van marine officieel goedkeuring gegeven voor de afbouw van de kruisers.

Nieuw ontwerp en afbouw

Tot de Tweede Wereldoorlog was het inzetten van slagschepen erg belangrijk. De taken van de kruisers waren oorspronkelijk het verkennen van de vijandelijke vloot, waarna slagschepen de strijd aan konden gaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er een aantal radicale veranderingen geweest, waardoor de tijd van het slagschip ten einde was. Tegen het einde van de oorlog werd er voornamelijk vanuit de lucht oorlog gevoerd, waarbij vliegkampschepen een belangrijke rol speelden. Daarnaast waren er luchttorpedo's ontwikkeld die sneller dan het geluid konden vliegen. De Tweede Wereldoorlog werd beëindigd door het inzetten van radio actieve explosieve stoffen. Door deze nieuwe ontwikkelingen moesten de kruisers opnieuw ontworpen worden. Er werden nieuwe eisen gesteld aan de bewapening, zodat deze niet meer primair gericht waren tegen grote bovenwaterschepen, maar tegen luchtdoelen, onderzeeboten en landdoelen.
Ook de radar had zijn intrede gedaan tijdens de oorlog en zich bewezen als een betrouwbaar signaleringsmiddel. Het ontwerp van de kruisers werd aangepast, waarbij gekeken werd naar de opbouw van de schepen. Een andere verandering van ontwerp was te vinden de voortstuwing. Twee volledig gescheiden voortstuwingseenheden werden ontworpen, waardoor het nodig was om een extra schoorsteen aan het ontwerp toe te voegen. De dieselgeneratoren werden verspreid door het schip, zodat de stroomvoorziening niet in één keer uitgeschakeld kon worden. Voor de onderzeebootbestrijding werden twee dieptebomrekken toegevoegd aan het ontwerp.
De eerste kruiser, De Hr.Ms. De Ruyter werd in 1947 gedoopt. Het tweede schip werd in 1950 te water gelaten en gedoopt als Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Beide schepen werden in 1953 in dienst gesteld. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft tussen het op stapel zetten van beide schepen en het in dienst stellen 14 jaar gezeten. Met het voltooien van de twee kruisers, had de Nederlandse marine voor het eerst grote bovenwatereenheden ontworpen en gebouwd.

Inzet

Toen de twee kruisers in 1953 in dienst gesteld werden, waren de twee schepen al verouderd en achterhaald. De kruisers waren in Nederlandse dienst voornamelijk laag in het geweldsspectrum actief. De kruisers waren grote imposante schepen die voor afschrikking zorgden, maar werden vooral ingezet bij oefeningen, vlagvertoon en hulpverlening.

Verbouwing

In de tweede helft van de jaren '50 werd al duidelijk dat het tijdperk van het kanon ten einde liep. Ontwikkelingen als geleidewapens, nucleaire voortstuwing en kernwapens deden hun intrede. Het was duidelijk dat de twee kruisers aangepast moesten worden om mee te kunnen gaan in de nieuwe ontwikkelingen. De Nederlandse marine was al een aantal jaar bezig met ontwikkelingen op het gebied van geleidewapens, en was een samenwerking aangegaan met de Britse marine. Deze samenwerking liep uit op niets en de Nederlandse marine week uit naar de Verenigde Staten. De Amerikanen waren bezig met geleidewapens en hadden de kruiser "USS Boston" omgebouwd tot geleidewapenkruiser met Terrier-raketten tegen luchtdoelen. De Nederlandse marine gaf aan interesse te hebben in het Terrier systeem. De Amerikanen boden Nederland twee Terrier-systemen aan, maar Nederland zou zelf de kosten van de verbouwing op zich moeten nemen. Uiteindelijk is als gevolg van bezuinigingen alleen de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" uitgerust met het Terrier Systeem. Het schip werd in 1962 uit dienst gesteld om verbouwd te worden. Bij deze verbouwing werden de twee achterste 15.2cm geschuttorens en de dubbeltoren van het 57mm kanon verwijderd, om plaats te kunnen maken voor het Terrier systeem. In 1964 werd de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" als eerste Nederlandse schip met geleide wapens in dienst gesteld. In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Verkoop aan Peru

In de jaren '60 waren kruisers met 6-inch kanon achterhaald geraakt. Er bestond echter belangstelling vanuit Latijns-Amerika, waar grote relieken uit de Tweede Wereldoorlog een sterk symbolische waarde hadden, al was de feitelijk gevechtswaarde niet groot meer. Peru had belangstelling voor de Nederlandse kruisers. Doordat de "Hr.Ms. De Ruyter" niet voorzien was van geleidewapens, nam de waarde van het schip in Nederlandse dienst snel af. Eind jaren '60 werden er plannen gemaakt om de kruiser van de sterkte te voeren. Het zusterschip, de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" zou voorlopig nog in dienst blijven en zou naast de twee nieuwe geleidewapen fregatten van de Trompklasse worden ingezet. In 1973 werd de "Hr.Ms. de Ruyter" bij de Peruaanse marine in dienst gesteld als de "Almirante Grau".
Ondertussen werd ook getwijfeld aan het plan om de "De Zeven Provinciën" te behouden. Het zou geen enkele zin hebben dat een klein land als Nederland er een schip van deze grootte op na houdt. In 1975 werd de kruiser dan ook aan de ketting gelegd en later dat jaar uit dienst gesteld. De kruiser zou pas worden verkocht wanneer het eerste geleidewapen fregat in dienst zou zijn gesteld.
In augustus 1976 werd de "De Zeven Provinciën" in dienst gesteld als de "BAP Aguirre".

In dienst van Peru

Beide kruisers keerden in 1988 tijdelijk terug naar Nederland voor een grondige modernisering. Er werden Otomat Teseo Mk 2 Surface-to-Surface-Missiles geplaatst. De BAP Aguirre diende tot 1992 bij Peru en werd toen in de reservevloot geplaatst. In 1977 werd de Aguirre omgebouwd tot helikopterkruiser. Het schip werd ontdaan van haar Terrier-missile systeem en de achterste geschuttorens werden vervangen door een hangaar en helikopterdek. Op het hangaarde werd een tweede lanceerplatform gecreëerd. In haar nieuwe vorm kon het vaartuig drie Sea King helikopters meevoeren. Het schip keerde in 1994 in actieve dienst terug, maar werd in 1999 definitief uit de vaart genomen. In 2005 werd het schip gesloopt. De Almirante Grau is op 26 september 2017 uit dienst gesteld als vlaggenschip van de Peruaanse marine. Het is nog niet duidelijk wat er met het schip gaat gebeuren.

Specificaties

Afmetingen lengte: 185,7m; breedte: 17,3m; diepgang: 5,0m
Water verplaatsing 9725 ton
Bemanning 973 man
Voortstuwing 4 Werkspoor-Yarrow boilers en 2 De Schelde Parsons stoomturbines
Maximale snelheid 32 knopen
Bewapening 4 15,2cm kanons in dubbeltorens
8 57cm kanons in dubbeltorens (C802 na verbouwing 6)
8 40cm kanons (C802 na verbouwing 4)
2 dieptebomrekken
10,3cm lichtraketwerper (na verbouwing van C802 verwijderd)
Convair RIM-2 Terrier missiles (alleen op C802 na verbouwing)

Bemanningslijsten

De Tweede Wereldoorlog

De kruisers van de "Eendrachtklasse" werden op 5 september 1939 op stapel gezet. Het nieuwbouw project was bedoelt om de drie kruisers van de "Javaklasse" te vervangen in Nederlands-Indië. De kruisers werden gebouwd door Wilton Fijenoord en de RDM. Het eerste schip werd door de RDM gebouwd en het tweede door Wilton Fijenoord. De bouw van beide schepen verliep voorspoedig en beide schepen zouden in 1942 opgeleverd moeten worden. In 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. Door het uitbreken van de oorlog werd de bouw van beide kruisers onderbroken. De Nederlandse marine beschouwde de twee in aanbouw zijnde schepen als verloren, terwijl de Duitse bezetters de kruisers als een goede buit zagen. De Kriegsmarine nam de contracten inclusief betalingen van de Nederlandse marine over en kreeg op deze manier het Nederlandse werfpersoneel weer aan het werk.
De Duitse marine maakte een nieuw ontwerp voor de twee kruisers: Kreutzer Holland 1 (een opleidingskruiser) en Kreutzer Holland 2. De belangrijkste wijzingen aan het ontwerp waren te zien in de vorm van de boeg. De boeg van de KH1 werd verbouwd naar een Atlantikbug, waardoor het schip langer werd dan haar zuster. Beide schepen zouden in 1942 in dienst moeten komen, maar door sabotage en gebrek aan materiaal is deze opleverdatum nooit gehaald. De Duitsers als gevolg van ontwikkelingen, die niet in het voordeel van de Duitsers waren, de KH1 tot zinken brengen, maar van dat plan is ook niets van terecht gekomen. Bij het einde van de oorlog vertrokken de Duitsers en lieten de twee onvoltooide casco's achter.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er niet veel meer over van de Nederlandse vloot. Veel schepen zijn tot zinken gebracht of hebben bij het uitbreken van de oorlog hun werf van aanbouw niet kunnen verlaten. De drie grote vooroorlogse kruisers, Hr.Ms. Java, Sumatra en De Ruyter, hadden de oorlog niet overleeft. Het materieel wat de oorlog wel overleefde, zoals de lichte kruisers "Hr.Ms. Tromp" en "Hr.Ms. Jacob van Heemskerck" waren door het intensieve oorlogsgebruik versleten. De bouw van de twee achtergelaten kruisers werd hervat. De bouw begon met de opdracht om beide kruisercasco's te conserveren en vervolgens de toestand van de casco's in kaart te brengen. In samenwerking met de Britten werd onderzocht of de kruisers op zinvolle manier konden worden afgebouwd. In 1946 werd door de minister van marine officieel goedkeuring gegeven voor de afbouw van de kruisers.

Nieuw ontwerp en afbouw

Tot de Tweede Wereldoorlog was het inzetten van slagschepen erg belangrijk. De taken van de kruisers waren oorspronkelijk het verkennen van de vijandelijke vloot, waarna slagschepen de strijd aan konden gaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er een aantal radicale veranderingen geweest, waardoor de tijd van het slagschip ten einde was. Tegen het einde van de oorlog werd er voornamelijk vanuit de lucht oorlog gevoerd, waarbij vliegkampschepen een belangrijke rol speelden. Daarnaast waren er luchttorpedo's ontwikkeld die sneller dan het geluid konden vliegen. De Tweede Wereldoorlog werd beëindigd door het inzetten van radio actieve explosieve stoffen. Door deze nieuwe ontwikkelingen moesten de kruisers opnieuw ontworpen worden. Er werden nieuwe eisen gesteld aan de bewapening, zodat deze niet meer primair gericht waren tegen grote bovenwaterschepen, maar tegen luchtdoelen, onderzeeboten en landdoelen.
Ook de radar had zijn intrede gedaan tijdens de oorlog en zich bewezen als een betrouwbaar signaleringsmiddel. Het ontwerp van de kruisers werd aangepast, waarbij gekeken werd naar de opbouw van de schepen. Een andere verandering van ontwerp was te vinden de voortstuwing. Twee volledig gescheiden voortstuwingseenheden werden ontworpen, waardoor het nodig was om een extra schoorsteen aan het ontwerp toe te voegen. De dieselgeneratoren werden verspreid door het schip, zodat de stroomvoorziening niet in één keer uitgeschakeld kon worden. Voor de onderzeebootbestrijding werden twee dieptebomrekken toegevoegd aan het ontwerp.
De eerste kruiser, De Hr.Ms. De Ruyter werd in 1947 gedoopt. Het tweede schip werd in 1950 te water gelaten en gedoopt als Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Beide schepen werden in 1953 in dienst gesteld. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft tussen het op stapel zetten van beide schepen en het in dienst stellen 14 jaar gezeten. Met het voltooien van de twee kruisers, had de Nederlandse marine voor het eerst grote bovenwatereenheden ontworpen en gebouwd.

Inzet

Toen de twee kruisers in 1953 in dienst gesteld werden, waren de twee schepen al verouderd en achterhaald. De kruisers waren in Nederlandse dienst voornamelijk laag in het geweldsspectrum actief. De kruisers waren grote imposante schepen die voor afschrikking zorgden, maar werden vooral ingezet bij oefeningen, vlagvertoon en hulpverlening.

Verbouwing

In de tweede helft van de jaren '50 werd al duidelijk dat het tijdperk van het kanon ten einde liep. Ontwikkelingen als geleidewapens, nucleaire voortstuwing en kernwapens deden hun intrede. Het was duidelijk dat de twee kruisers aangepast moesten worden om mee te kunnen gaan in de nieuwe ontwikkelingen. De Nederlandse marine was al een aantal jaar bezig met ontwikkelingen op het gebied van geleidewapens, en was een samenwerking aangegaan met de Britse marine. Deze samenwerking liep uit op niets en de Nederlandse marine week uit naar de Verenigde Staten. De Amerikanen waren bezig met geleidewapens en hadden de kruiser "USS Boston" omgebouwd tot geleidewapenkruiser met Terrier-raketten tegen luchtdoelen. De Nederlandse marine gaf aan interesse te hebben in het Terrier systeem. De Amerikanen boden Nederland twee Terrier-systemen aan, maar Nederland zou zelf de kosten van de verbouwing op zich moeten nemen. Uiteindelijk is als gevolg van bezuinigingen alleen de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" uitgerust met het Terrier Systeem. Het schip werd in 1962 uit dienst gesteld om verbouwd te worden. Bij deze verbouwing werden de twee achterste 15.2cm geschuttorens en de dubbeltoren van het 57mm kanon verwijderd, om plaats te kunnen maken voor het Terrier systeem. In 1964 werd de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" als eerste Nederlandse schip met geleide wapens in dienst gesteld. In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Verkoop aan Peru

In de jaren '60 waren kruisers met 6-inch kanon achterhaald geraakt. Er bestond echter belangstelling vanuit Latijns-Amerika, waar grote relieken uit de Tweede Wereldoorlog een sterk symbolische waarde hadden, al was de feitelijk gevechtswaarde niet groot meer. Peru had belangstelling voor de Nederlandse kruisers. Doordat de "Hr.Ms. De Ruyter" niet voorzien was van geleidewapens, nam de waarde van het schip in Nederlandse dienst snel af. Eind jaren '60 werden er plannen gemaakt om de kruiser van de sterkte te voeren. Het zusterschip, de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" zou voorlopig nog in dienst blijven en zou naast de twee nieuwe geleidewapen fregatten van de Trompklasse worden ingezet. In 1973 werd de "Hr.Ms. de Ruyter" bij de Peruaanse marine in dienst gesteld als de "Almirante Grau".
Ondertussen werd ook getwijfeld aan het plan om de "De Zeven Provinciën" te behouden. Het zou geen enkele zin hebben dat een klein land als Nederland er een schip van deze grootte op na houdt. In 1975 werd de kruiser dan ook aan de ketting gelegd en later dat jaar uit dienst gesteld. De kruiser zou pas worden verkocht wanneer het eerste geleidewapen fregat in dienst zou zijn gesteld.
In augustus 1976 werd de "De Zeven Provinciën" in dienst gesteld als de "BAP Aguirre".

In dienst van Peru

Beide kruisers keerden in 1988 tijdelijk terug naar Nederland voor een grondige modernisering. Er werden Otomat Teseo Mk 2 Surface-to-Surface-Missiles geplaatst. De BAP Aguirre diende tot 1992 bij Peru en werd toen in de reservevloot geplaatst. In 1977 werd de Aguirre omgebouwd tot helikopterkruiser. Het schip werd ontdaan van haar Terrier-missile systeem en de achterste geschuttorens werden vervangen door een hangaar en helikopterdek. Op het hangaarde werd een tweede lanceerplatform gecreëerd. In haar nieuwe vorm kon het vaartuig drie Sea King helikopters meevoeren. Het schip keerde in 1994 in actieve dienst terug, maar werd in 1999 definitief uit de vaart genomen. In 2005 werd het schip gesloopt. De Almirante Grau is op 26 september 2017 uit dienst gesteld als vlaggenschip van de Peruaanse marine. Het is nog niet duidelijk wat er met het schip gaat gebeuren.

Specificaties

Afmetingen lengte: 185,7m; breedte: 17,3m; diepgang: 5,0m
Water verplaatsing 9725 ton
Bemanning 973 man
Voortstuwing 4 Werkspoor-Yarrow boilers en 2 De Schelde Parsons stoomturbines
Maximale snelheid 32 knopen
Bewapening 4 15,2cm kanons in dubbeltorens
8 57cm kanons in dubbeltorens (C802 na verbouwing 6)
8 40cm kanons (C802 na verbouwing 4)
2 dieptebomrekken
10,3cm lichtraketwerper (na verbouwing van C802 verwijderd)
Convair RIM-2 Terrier missiles (alleen op C802 na verbouwing)

Bemanningslijsten

Afbeeldingen

De Tweede Wereldoorlog

De kruisers van de "Eendrachtklasse" werden op 5 september 1939 op stapel gezet. Het nieuwbouw project was bedoelt om de drie kruisers van de "Javaklasse" te vervangen in Nederlands-Indië. De kruisers werden gebouwd door Wilton Fijenoord en de RDM. Het eerste schip werd door de RDM gebouwd en het tweede door Wilton Fijenoord. De bouw van beide schepen verliep voorspoedig en beide schepen zouden in 1942 opgeleverd moeten worden. In 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. Door het uitbreken van de oorlog werd de bouw van beide kruisers onderbroken. De Nederlandse marine beschouwde de twee in aanbouw zijnde schepen als verloren, terwijl de Duitse bezetters de kruisers als een goede buit zagen. De Kriegsmarine nam de contracten inclusief betalingen van de Nederlandse marine over en kreeg op deze manier het Nederlandse werfpersoneel weer aan het werk.
De Duitse marine maakte een nieuw ontwerp voor de twee kruisers: Kreutzer Holland 1 (een opleidingskruiser) en Kreutzer Holland 2. De belangrijkste wijzingen aan het ontwerp waren te zien in de vorm van de boeg. De boeg van de KH1 werd verbouwd naar een Atlantikbug, waardoor het schip langer werd dan haar zuster. Beide schepen zouden in 1942 in dienst moeten komen, maar door sabotage en gebrek aan materiaal is deze opleverdatum nooit gehaald. De Duitsers als gevolg van ontwikkelingen, die niet in het voordeel van de Duitsers waren, de KH1 tot zinken brengen, maar van dat plan is ook niets van terecht gekomen. Bij het einde van de oorlog vertrokken de Duitsers en lieten de twee onvoltooide casco's achter.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er niet veel meer over van de Nederlandse vloot. Veel schepen zijn tot zinken gebracht of hebben bij het uitbreken van de oorlog hun werf van aanbouw niet kunnen verlaten. De drie grote vooroorlogse kruisers, Hr.Ms. Java, Sumatra en De Ruyter, hadden de oorlog niet overleeft. Het materieel wat de oorlog wel overleefde, zoals de lichte kruisers "Hr.Ms. Tromp" en "Hr.Ms. Jacob van Heemskerck" waren door het intensieve oorlogsgebruik versleten. De bouw van de twee achtergelaten kruisers werd hervat. De bouw begon met de opdracht om beide kruisercasco's te conserveren en vervolgens de toestand van de casco's in kaart te brengen. In samenwerking met de Britten werd onderzocht of de kruisers op zinvolle manier konden worden afgebouwd. In 1946 werd door de minister van marine officieel goedkeuring gegeven voor de afbouw van de kruisers.

Nieuw ontwerp en afbouw

Tot de Tweede Wereldoorlog was het inzetten van slagschepen erg belangrijk. De taken van de kruisers waren oorspronkelijk het verkennen van de vijandelijke vloot, waarna slagschepen de strijd aan konden gaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er een aantal radicale veranderingen geweest, waardoor de tijd van het slagschip ten einde was. Tegen het einde van de oorlog werd er voornamelijk vanuit de lucht oorlog gevoerd, waarbij vliegkampschepen een belangrijke rol speelden. Daarnaast waren er luchttorpedo's ontwikkeld die sneller dan het geluid konden vliegen. De Tweede Wereldoorlog werd beëindigd door het inzetten van radio actieve explosieve stoffen. Door deze nieuwe ontwikkelingen moesten de kruisers opnieuw ontworpen worden. Er werden nieuwe eisen gesteld aan de bewapening, zodat deze niet meer primair gericht waren tegen grote bovenwaterschepen, maar tegen luchtdoelen, onderzeeboten en landdoelen.
Ook de radar had zijn intrede gedaan tijdens de oorlog en zich bewezen als een betrouwbaar signaleringsmiddel. Het ontwerp van de kruisers werd aangepast, waarbij gekeken werd naar de opbouw van de schepen. Een andere verandering van ontwerp was te vinden de voortstuwing. Twee volledig gescheiden voortstuwingseenheden werden ontworpen, waardoor het nodig was om een extra schoorsteen aan het ontwerp toe te voegen. De dieselgeneratoren werden verspreid door het schip, zodat de stroomvoorziening niet in één keer uitgeschakeld kon worden. Voor de onderzeebootbestrijding werden twee dieptebomrekken toegevoegd aan het ontwerp.
De eerste kruiser, De Hr.Ms. De Ruyter werd in 1947 gedoopt. Het tweede schip werd in 1950 te water gelaten en gedoopt als Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Beide schepen werden in 1953 in dienst gesteld. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft tussen het op stapel zetten van beide schepen en het in dienst stellen 14 jaar gezeten. Met het voltooien van de twee kruisers, had de Nederlandse marine voor het eerst grote bovenwatereenheden ontworpen en gebouwd.

Inzet

Toen de twee kruisers in 1953 in dienst gesteld werden, waren de twee schepen al verouderd en achterhaald. De kruisers waren in Nederlandse dienst voornamelijk laag in het geweldsspectrum actief. De kruisers waren grote imposante schepen die voor afschrikking zorgden, maar werden vooral ingezet bij oefeningen, vlagvertoon en hulpverlening.

Verbouwing

In de tweede helft van de jaren '50 werd al duidelijk dat het tijdperk van het kanon ten einde liep. Ontwikkelingen als geleidewapens, nucleaire voortstuwing en kernwapens deden hun intrede. Het was duidelijk dat de twee kruisers aangepast moesten worden om mee te kunnen gaan in de nieuwe ontwikkelingen. De Nederlandse marine was al een aantal jaar bezig met ontwikkelingen op het gebied van geleidewapens, en was een samenwerking aangegaan met de Britse marine. Deze samenwerking liep uit op niets en de Nederlandse marine week uit naar de Verenigde Staten. De Amerikanen waren bezig met geleidewapens en hadden de kruiser "USS Boston" omgebouwd tot geleidewapenkruiser met Terrier-raketten tegen luchtdoelen. De Nederlandse marine gaf aan interesse te hebben in het Terrier systeem. De Amerikanen boden Nederland twee Terrier-systemen aan, maar Nederland zou zelf de kosten van de verbouwing op zich moeten nemen. Uiteindelijk is als gevolg van bezuinigingen alleen de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" uitgerust met het Terrier Systeem. Het schip werd in 1962 uit dienst gesteld om verbouwd te worden. Bij deze verbouwing werden de twee achterste 15.2cm geschuttorens en de dubbeltoren van het 57mm kanon verwijderd, om plaats te kunnen maken voor het Terrier systeem. In 1964 werd de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" als eerste Nederlandse schip met geleide wapens in dienst gesteld. In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Verkoop aan Peru

In de jaren '60 waren kruisers met 6-inch kanon achterhaald geraakt. Er bestond echter belangstelling vanuit Latijns-Amerika, waar grote relieken uit de Tweede Wereldoorlog een sterk symbolische waarde hadden, al was de feitelijk gevechtswaarde niet groot meer. Peru had belangstelling voor de Nederlandse kruisers. Doordat de "Hr.Ms. De Ruyter" niet voorzien was van geleidewapens, nam de waarde van het schip in Nederlandse dienst snel af. Eind jaren '60 werden er plannen gemaakt om de kruiser van de sterkte te voeren. Het zusterschip, de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" zou voorlopig nog in dienst blijven en zou naast de twee nieuwe geleidewapen fregatten van de Trompklasse worden ingezet. In 1973 werd de "Hr.Ms. de Ruyter" bij de Peruaanse marine in dienst gesteld als de "Almirante Grau".
Ondertussen werd ook getwijfeld aan het plan om de "De Zeven Provinciën" te behouden. Het zou geen enkele zin hebben dat een klein land als Nederland er een schip van deze grootte op na houdt. In 1975 werd de kruiser dan ook aan de ketting gelegd en later dat jaar uit dienst gesteld. De kruiser zou pas worden verkocht wanneer het eerste geleidewapen fregat in dienst zou zijn gesteld.
In augustus 1976 werd de "De Zeven Provinciën" in dienst gesteld als de "BAP Aguirre".

In dienst van Peru

Beide kruisers keerden in 1988 tijdelijk terug naar Nederland voor een grondige modernisering. Er werden Otomat Teseo Mk 2 Surface-to-Surface-Missiles geplaatst. De BAP Aguirre diende tot 1992 bij Peru en werd toen in de reservevloot geplaatst. In 1977 werd de Aguirre omgebouwd tot helikopterkruiser. Het schip werd ontdaan van haar Terrier-missile systeem en de achterste geschuttorens werden vervangen door een hangaar en helikopterdek. Op het hangaarde werd een tweede lanceerplatform gecreëerd. In haar nieuwe vorm kon het vaartuig drie Sea King helikopters meevoeren. Het schip keerde in 1994 in actieve dienst terug, maar werd in 1999 definitief uit de vaart genomen. In 2005 werd het schip gesloopt. De Almirante Grau is op 26 september 2017 uit dienst gesteld als vlaggenschip van de Peruaanse marine. Het is nog niet duidelijk wat er met het schip gaat gebeuren.

Specificaties

Afmetingen lengte: 185,7m; breedte: 17,3m; diepgang: 5,0m
Water verplaatsing 9725 ton
Bemanning 973 man
Voortstuwing 4 Werkspoor-Yarrow boilers en 2 De Schelde Parsons stoomturbines
Maximale snelheid 32 knopen
Bewapening 4 15,2cm kanons in dubbeltorens
8 57cm kanons in dubbeltorens (C802 na verbouwing 6)
8 40cm kanons (C802 na verbouwing 4)
2 dieptebomrekken
10,3cm lichtraketwerper (na verbouwing van C802 verwijderd)
Convair RIM-2 Terrier missiles (alleen op C802 na verbouwing)

Bemanningslijsten

De Tweede Wereldoorlog

De kruisers van de "Eendrachtklasse" werden op 5 september 1939 op stapel gezet. Het nieuwbouw project was bedoelt om de drie kruisers van de "Javaklasse" te vervangen in Nederlands-Indië. De kruisers werden gebouwd door Wilton Fijenoord en de RDM. Het eerste schip werd door de RDM gebouwd en het tweede door Wilton Fijenoord. De bouw van beide schepen verliep voorspoedig en beide schepen zouden in 1942 opgeleverd moeten worden. In 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. Door het uitbreken van de oorlog werd de bouw van beide kruisers onderbroken. De Nederlandse marine beschouwde de twee in aanbouw zijnde schepen als verloren, terwijl de Duitse bezetters de kruisers als een goede buit zagen. De Kriegsmarine nam de contracten inclusief betalingen van de Nederlandse marine over en kreeg op deze manier het Nederlandse werfpersoneel weer aan het werk.
De Duitse marine maakte een nieuw ontwerp voor de twee kruisers: Kreutzer Holland 1 (een opleidingskruiser) en Kreutzer Holland 2. De belangrijkste wijzingen aan het ontwerp waren te zien in de vorm van de boeg. De boeg van de KH1 werd verbouwd naar een Atlantikbug, waardoor het schip langer werd dan haar zuster. Beide schepen zouden in 1942 in dienst moeten komen, maar door sabotage en gebrek aan materiaal is deze opleverdatum nooit gehaald. De Duitsers als gevolg van ontwikkelingen, die niet in het voordeel van de Duitsers waren, de KH1 tot zinken brengen, maar van dat plan is ook niets van terecht gekomen. Bij het einde van de oorlog vertrokken de Duitsers en lieten de twee onvoltooide casco's achter.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er niet veel meer over van de Nederlandse vloot. Veel schepen zijn tot zinken gebracht of hebben bij het uitbreken van de oorlog hun werf van aanbouw niet kunnen verlaten. De drie grote vooroorlogse kruisers, Hr.Ms. Java, Sumatra en De Ruyter, hadden de oorlog niet overleeft. Het materieel wat de oorlog wel overleefde, zoals de lichte kruisers "Hr.Ms. Tromp" en "Hr.Ms. Jacob van Heemskerck" waren door het intensieve oorlogsgebruik versleten. De bouw van de twee achtergelaten kruisers werd hervat. De bouw begon met de opdracht om beide kruisercasco's te conserveren en vervolgens de toestand van de casco's in kaart te brengen. In samenwerking met de Britten werd onderzocht of de kruisers op zinvolle manier konden worden afgebouwd. In 1946 werd door de minister van marine officieel goedkeuring gegeven voor de afbouw van de kruisers.

Nieuw ontwerp en afbouw

Tot de Tweede Wereldoorlog was het inzetten van slagschepen erg belangrijk. De taken van de kruisers waren oorspronkelijk het verkennen van de vijandelijke vloot, waarna slagschepen de strijd aan konden gaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er een aantal radicale veranderingen geweest, waardoor de tijd van het slagschip ten einde was. Tegen het einde van de oorlog werd er voornamelijk vanuit de lucht oorlog gevoerd, waarbij vliegkampschepen een belangrijke rol speelden. Daarnaast waren er luchttorpedo's ontwikkeld die sneller dan het geluid konden vliegen. De Tweede Wereldoorlog werd beëindigd door het inzetten van radio actieve explosieve stoffen. Door deze nieuwe ontwikkelingen moesten de kruisers opnieuw ontworpen worden. Er werden nieuwe eisen gesteld aan de bewapening, zodat deze niet meer primair gericht waren tegen grote bovenwaterschepen, maar tegen luchtdoelen, onderzeeboten en landdoelen.
Ook de radar had zijn intrede gedaan tijdens de oorlog en zich bewezen als een betrouwbaar signaleringsmiddel. Het ontwerp van de kruisers werd aangepast, waarbij gekeken werd naar de opbouw van de schepen. Een andere verandering van ontwerp was te vinden de voortstuwing. Twee volledig gescheiden voortstuwingseenheden werden ontworpen, waardoor het nodig was om een extra schoorsteen aan het ontwerp toe te voegen. De dieselgeneratoren werden verspreid door het schip, zodat de stroomvoorziening niet in één keer uitgeschakeld kon worden. Voor de onderzeebootbestrijding werden twee dieptebomrekken toegevoegd aan het ontwerp.
De eerste kruiser, De Hr.Ms. De Ruyter werd in 1947 gedoopt. Het tweede schip werd in 1950 te water gelaten en gedoopt als Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Beide schepen werden in 1953 in dienst gesteld. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft tussen het op stapel zetten van beide schepen en het in dienst stellen 14 jaar gezeten. Met het voltooien van de twee kruisers, had de Nederlandse marine voor het eerst grote bovenwatereenheden ontworpen en gebouwd.

Inzet

Toen de twee kruisers in 1953 in dienst gesteld werden, waren de twee schepen al verouderd en achterhaald. De kruisers waren in Nederlandse dienst voornamelijk laag in het geweldsspectrum actief. De kruisers waren grote imposante schepen die voor afschrikking zorgden, maar werden vooral ingezet bij oefeningen, vlagvertoon en hulpverlening.

Verbouwing

In de tweede helft van de jaren '50 werd al duidelijk dat het tijdperk van het kanon ten einde liep. Ontwikkelingen als geleidewapens, nucleaire voortstuwing en kernwapens deden hun intrede. Het was duidelijk dat de twee kruisers aangepast moesten worden om mee te kunnen gaan in de nieuwe ontwikkelingen. De Nederlandse marine was al een aantal jaar bezig met ontwikkelingen op het gebied van geleidewapens, en was een samenwerking aangegaan met de Britse marine. Deze samenwerking liep uit op niets en de Nederlandse marine week uit naar de Verenigde Staten. De Amerikanen waren bezig met geleidewapens en hadden de kruiser "USS Boston" omgebouwd tot geleidewapenkruiser met Terrier-raketten tegen luchtdoelen. De Nederlandse marine gaf aan interesse te hebben in het Terrier systeem. De Amerikanen boden Nederland twee Terrier-systemen aan, maar Nederland zou zelf de kosten van de verbouwing op zich moeten nemen. Uiteindelijk is als gevolg van bezuinigingen alleen de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" uitgerust met het Terrier Systeem. Het schip werd in 1962 uit dienst gesteld om verbouwd te worden. Bij deze verbouwing werden de twee achterste 15.2cm geschuttorens en de dubbeltoren van het 57mm kanon verwijderd, om plaats te kunnen maken voor het Terrier systeem. In 1964 werd de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" als eerste Nederlandse schip met geleide wapens in dienst gesteld. In 1999 en 2001 werden beide fregatten uit dienst gesteld. Beide schepen zijn gesloopt. De brug van de Hr.Ms. De Ruyter is voor de sloop van het schip verwijderd en is momenteel te bewonderen bij het marinemuseum in Den Helder.

Verkoop aan Peru

In de jaren '60 waren kruisers met 6-inch kanon achterhaald geraakt. Er bestond echter belangstelling vanuit Latijns-Amerika, waar grote relieken uit de Tweede Wereldoorlog een sterk symbolische waarde hadden, al was de feitelijk gevechtswaarde niet groot meer. Peru had belangstelling voor de Nederlandse kruisers. Doordat de "Hr.Ms. De Ruyter" niet voorzien was van geleidewapens, nam de waarde van het schip in Nederlandse dienst snel af. Eind jaren '60 werden er plannen gemaakt om de kruiser van de sterkte te voeren. Het zusterschip, de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" zou voorlopig nog in dienst blijven en zou naast de twee nieuwe geleidewapen fregatten van de Trompklasse worden ingezet. In 1973 werd de "Hr.Ms. de Ruyter" bij de Peruaanse marine in dienst gesteld als de "Almirante Grau".
Ondertussen werd ook getwijfeld aan het plan om de "De Zeven Provinciën" te behouden. Het zou geen enkele zin hebben dat een klein land als Nederland er een schip van deze grootte op na houdt. In 1975 werd de kruiser dan ook aan de ketting gelegd en later dat jaar uit dienst gesteld. De kruiser zou pas worden verkocht wanneer het eerste geleidewapen fregat in dienst zou zijn gesteld.
In augustus 1976 werd de "De Zeven Provinciën" in dienst gesteld als de "BAP Aguirre".

In dienst van Peru

Beide kruisers keerden in 1988 tijdelijk terug naar Nederland voor een grondige modernisering. Er werden Otomat Teseo Mk 2 Surface-to-Surface-Missiles geplaatst. De BAP Aguirre diende tot 1992 bij Peru en werd toen in de reservevloot geplaatst. In 1977 werd de Aguirre omgebouwd tot helikopterkruiser. Het schip werd ontdaan van haar Terrier-missile systeem en de achterste geschuttorens werden vervangen door een hangaar en helikopterdek. Op het hangaarde werd een tweede lanceerplatform gecreëerd. In haar nieuwe vorm kon het vaartuig drie Sea King helikopters meevoeren. Het schip keerde in 1994 in actieve dienst terug, maar werd in 1999 definitief uit de vaart genomen. In 2005 werd het schip gesloopt. De Almirante Grau is op 26 september 2017 uit dienst gesteld als vlaggenschip van de Peruaanse marine. Het is nog niet duidelijk wat er met het schip gaat gebeuren.

Specificaties

Afmetingen lengte: 185,7m; breedte: 17,3m; diepgang: 5,0m
Water verplaatsing 9725 ton
Bemanning 973 man
Voortstuwing 4 Werkspoor-Yarrow boilers en 2 De Schelde Parsons stoomturbines
Maximale snelheid 32 knopen
Bewapening 4 15,2cm kanons in dubbeltorens
8 57cm kanons in dubbeltorens (C802 na verbouwing 6)
8 40cm kanons (C802 na verbouwing 4)
2 dieptebomrekken
10,3cm lichtraketwerper (na verbouwing van C802 verwijderd)
Convair RIM-2 Terrier missiles (alleen op C802 na verbouwing)

Bemanningslijsten