Onderzeebootjagers - Navy Inside Navyinside.nl
Navy Inside

Zoekveld

U bent hier

Holland- & Frieslandklasse
In de periode van 1954 tot 1982 had de Nederlandse twaalf onderzeebootjagers van de "Holland- en Frieslandklasse". De "Hollandklasse" bestond uit vier vaartuigen. De "Frieslandklasse" was een gemodificeerde versie van de "Hollandklasse" en bestond uit acht vaartuigen.
Ontwikkeling en bouw
Met het ontwerpen en het voorbereidende werk voor de onderzeebootjagers werd direct na de oorlog begonnen. Wat toen onder de naam "Onderzeebootjagers 1947" werd ontworpen, werd later de klasse schepen die bekend stond onder de naam A-jagers, of "Hollandklasse" onderzeebootjagers. Het ontwerp van de A-jagers was gebaseerd op scheepsvormen en indelingen van de machinekamer en ketelruim van Britse marineschepen. Vanwege diverse ontwikkelen die gedaan waren tijdens de Tweede Wereldoorlog, werden de nieuwe jagers dusdanig ontworpen, dat zij gasdicht waren. Een andere ontwikkeling die gedaan was het elektrische lassen, waardoor het vastzetten van de scheepshuid niet meer met klinknagels gedaan werd.
De vier A-klasse jagers werden gebouwd door drie verschillende scheepswerven. De Hr.Ms. Holland werd gebouwd door de RDM en de Hr.Ms. Gelderland door Dok- en Werfmaatschappij Wilton-Fijenoord. De Koninklijke Maatschappij de Schelde bouwde de Hr.Ms. Noord-Brabant en de Hr.Ms. Zeeland. De bouw van de jagers werd vertraagd door financiële problemen van de Nederlandse marine. Daarbij werd er ernstig getwijfeld over de stabiliteit van de nieuwe schepen, waardoor er extra maatregelen zoals het bouwen van de mastconstructie met aluminium in plaats van staal. De vier onderzeebootjagers kregen apparatuur aan boord die tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd werden voor de Duitse marine. Naast deze vier onderzeebootjagers werden nog twee andere jagers gepland, maar wegens kostenbesparingen werd de bouw van deze schepen uitgesteld.
In 1948 werd bekendgemaakt dat de Nederlandse marine naast de vier "Hollandklasse" schepen, nog eens acht onderzeebootjagers zou aanschaffen. Deze schepen stonden beter bekend als de B-klasse, of "Frieslandklasse" onderzeebootjagers. De NDSM zou het contract krijgen om vier jagers (de Hr.Ms. Friesland, Hr.Ms. Groningen, Hr.Ms. Drenthe en Hr.Ms. Amsterdam). De KMS bouwde twee schepen (Hr.Ms. Limburg en Hr.Ms. Utrecht) en Wilton Fijenoord bouwde ook twee schepen (Hr.Ms. Overijssel en Hr.Ms. Rotterdam").
De ontwerpen van de A-klasse en B-klasse verschilden onderling van elkaar. De "Hollandklasse" onderzeebootjagers waren iets kleiner dan de "Frieslandklasse", zowel als in de lengte en de breedte als de diepgang en de waterverplaatsing. De "Hollandklasse" onderzeebootjagers waren uitgerust met een stoomturbine-installatie van 45.000 apk, terwijl een onderzeebootjager van de "Frieslandklasse" een installatie kreeg die een vermogen van 60.000 apk kon ontwikkelen. De schepen werden met behulp van twee roeren bestuurd. De maximum snelheid van de "Hollandklasse" jagers bedroeg 32 knopen, die van de "Frieslandklasse" 36 knopen.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er niet veel meer over van de Nederlandse vloot. Veel schepen zijn tot zinken gebracht of hebben bij het uitbreken van de oorlog hun werf van aanbouw niet kunnen verlaten. De drie grote vooroorlogse kruisers, Hr.Ms. Java, Sumatra en De Ruyter, hadden de oorlog niet overleeft. Het materieel wat de oorlog wel overleefde, zoals de lichte kruisers "Hr.Ms. Tromp" en "Hr.Ms. Jacob van Heemskerck" waren door het intensieve oorlogsgebruik versleten. De bouw van de twee achtergelaten kruisers werd hervat. De bouw begon met de opdracht om beide kruisercasco's te conserveren en vervolgens de toestand van de casco's in kaart te brengen. In samenwerking met de Britten werd onderzocht of de kruisers op zinvolle manier konden worden afgebouwd. In 1946 werd door de minister van marine officieel goedkeuring gegeven voor de afbouw van de kruisers.

Inzet van de onderzeebootjagers
De onderzeebootjagers van de "Hollandklasse" hebben een groot deel van hun operationele inzet bij de Nederlandse marine aan de ketting gelegen. De Nederlandse marine beschikte in de periode van de jaren '50 tot eind jaren '60 over een groot aantal marineschepen, maar te weinig financieel middelen of personeel om te varen met de schepen. Veel marineschepen werden in conservatie gebracht, waaronder dus de onderzeebootjagers van de "Hollandklasse". De "Holland", die in 1954 in dienst was gesteld, werd een jaar later uit dienst gesteld om tot 1962 geconserveerd te worden. De "Zeeland" werd in de periode van 1956 tot 1965 in conservatie gezet, De "Noord Brabant" van 1955 tot 1965 en de "Gelderland" van 1962 tot 1969.
De B-jagers werden in tegenstelling tot de A-jagers intensief gebruikt. Deze onderzeebootjagers waren de werkpaarden van de vloot, en waren vaak onderdeel van een smaldeel ter bescherming van schepen als de Karel Doorman en de kruisers. De schepen zijn ingezet in de wateren rondom Nederlands Nieuw-Guinea, het Caribisch gebied en als schip van de wacht op de Noordzee. Een aantal jagers van de "Frieslandklasse" zijn ingezet in gewapende conflicten tegen Indonesische eenheden bij Nederlands Nieuw Guinea. De "Hr.Ms. Utrecht" verdreef motorboten, de "Hr.Ms. Limburg" voerde een aanval uit op vijandelijke vliegtuigen en de "Hr.Ms. Friesland" sloeg een Indonesische landingspoging af op het eiland Misool.

Inzet
De onderzeebootjagers van de "Hollandklasse" hebben een groot deel van hun operationele inzet bij de Nederlandse marine aan de ketting gelegen. De Nederlandse marine beschikte in de periode van de jaren '50 tot eind jaren '60 over een groot aantal marineschepen, maar te weinig financieel middelen of personeel om te varen met de schepen. Veel marineschepen werden in conservatie gebracht, waaronder dus de onderzeebootjagers van de "Hollandklasse". De "Holland", die in 1954 in dienst was gesteld, werd een jaar later uit dienst gesteld om tot 1962 geconserveerd te worden. De "Zeeland" werd in de periode van 1956 tot 1965 in conservatie gezet, De "Noord Brabant" van 1955 tot 1965 en de "Gelderland" van 1962 tot 1969.
De B-jagers werden in tegenstelling tot de A-jagers intensief gebruikt. Deze onderzeebootjagers waren de werkpaarden van de vloot, en waren vaak onderdeel van een smaldeel ter bescherming van schepen als de Karel Doorman en de kruisers. De schepen zijn ingezet in de wateren rondom Nederlands Nieuw-Guinea, het Caribisch gebied en als schip van de wacht op de Noordzee. Een aantal jagers van de "Frieslandklasse" zijn ingezet in gewapende conflicten tegen Indonesische eenheden bij Nederlands Nieuw Guinea. De "Hr.Ms. Utrecht" verdreef motorboten, de "Hr.Ms. Limburg" voerde een aanval uit op vijandelijke vliegtuigen en de "Hr.Ms. Friesland" sloeg een Indonesische landingspoging af op het eiland Misool.

Schade en brand aan boord
In 1974 voer de "Noord-Brabant" op de Westerschelde en botste met een Britse Bulk Carrier. De Bulkcarrier probeerde een boei te ontwijken, toen het schip te ver door schoot en zich vervolgens midscheeps in de "Noord-Brabant" boorde. Bij dit incident kwamen twee machinisten om het leven. De schade was dermate groot, dat de marineleiding besloot het schip vroegtijdig uit dienst te stellen.
In 1980 brak er tijdens de laatste reis van "Hr.Ms. Drenthe" een grote brand uit. Hierbij kwamen twee bemanningsleden om het leven en raakten vier mannen gewond. Het schip was zwaar beschadigd. De brand werd veroorzaakt door een poging om crypte-papier te vernietigen in de stookketels. De "Drenthe" was onderweg naar het Caribisch gebied, toen het ongeluk gebeurde. Door de zware schade, moest het schip door de "Hr.Ms. Rotterdam" terug naar de haven worden gesleept. De bemanning van de "Drenthe" stapte over op de "Rotterdam" en de bemanning van de "Rotterdam" keerde terug naar Nederland. De "Hr.Ms. Drenthe" was dusdanig beschadigd, dat men besloot niet meer te repareren en te verkopen aan Peru. Aldaar werd het schip gerepareerd.

Verkoop aan Peru
In de jaren '60 waren kruisers met 6-inch kanon achterhaald geraakt. Er bestond echter belangstelling vanuit Latijns-Amerika, waar grote relieken uit de Tweede Wereldoorlog een sterk symbolische waarde hadden, al was de feitelijk gevechtswaarde niet groot meer. Peru had belangstelling voor de Nederlandse kruisers. Doordat de "Hr.Ms. De Ruyter" niet voorzien was van geleidewapens, nam de waarde van het schip in Nederlandse dienst snel af. Eind jaren '60 werden er plannen gemaakt om de kruiser van de sterkte te voeren. Het zusterschip, de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" zou voorlopig nog in dienst blijven en zou naast de twee nieuwe geleidewapen fregatten van de Trompklasse worden ingezet. In 1973 werd de "Hr.Ms. de Ruyter" bij de Peruaanse marine in dienst gesteld als de "Almirante Grau".
Ondertussen werd ook getwijfeld aan het plan om de "De Zeven Provinciën" te behouden. Het zou geen enkele zin hebben dat een klein land als Nederland er een schip van deze grootte op na houdt. In 1975 werd de kruiser dan ook aan de ketting gelegd en later dat jaar uit dienst gesteld. De kruiser zou pas worden verkocht wanneer het eerste geleidewapen fregat in dienst zou zijn gesteld.
In augustus 1976 werd de "De Zeven Provinciën" in dienst gesteld als de "BAP Aguirre".

Uit dienst en verkoop van de onderzeebootjagers
Eind jaren '60 en begin jaren '70 naderden de onderzeebootjagers van de A- en B-klasse het einde van hun levensduur. De schepen raakte verouderd en konden door de intrede van kruisvluchtwapens en snellere vliegtuigen een aanval niet afslaan. Eind jaren '60 werd gekeken naar een vervanger voor beide klassen onderzeebootjagers en in 1972 werd formeel een begin gemaakt aan het Standaard Fregat project.
Van de vier "Hollandklasse" onderzeebootjagers werd alleen de "Hr.Ms. Holland" verkocht. Samen met zeven jagers uit de "Frieslandklasse" werd het schip verkocht aan Peru. De "Hr.Ms. Zeeland", "Hr.Ms. Noord Brabant" en "Hr.Ms. Friesland" werden gesloopt. De "Hr.Ms. Gelderland" heeft tot 1988 aan de kade van het Marine Etablissement Amsterdam gelegen ten bate van de Technische Opleidingen Koninklijke Marine (TOKM). Het 12cm geschut werd verwijderd en geplaatst op de geleidewapen fregatten van de Trompklasse.
De onderzeebootjagers hebben een korte dienstperiode gehad bij de Peruaanse marine. De jagers werden in de periode van 1978 tot 1982 in dienst gesteld. De "ex-Hr.Ms. Utrecht" en "ex-Hr.Ms. Overijssel" werden al snel aan de ketting gelegd en gebruikt voor reserve onderdelen. Uiteindelijk zouden de twee jagers in 1990 definitief uit dienst gesteld en gesloopt worden. Vier jaar na de indienststelling werd de "ex-Hr.Ms. Drenthe" uit dienst gesteld in 1984. In 1986 werd de "ex Hr.Ms. Holland" uit de vaart genomen en gesloopt. De resterende jagers werden in 1991 buiten dienst gesteld en gesloopt. In Peruaanse dienst hebben de onderzeebootjagers niet veel gevaren. Het grootste deel van hun operationele dienstjaren voor Peru hebben de schepen aan de ketting gelegen.

SPECIFICATIES
Afmetingen Hollandklasse - lengte: 111,3m; breedte: 11,3m; diepgang: 3,88m
Frieslandklasse - lengte: 116m; breedte: 11,76m; diepgang: 3,99m
Water verplaatsing Hollandklasse - 2765 ton
Frieslandklasse - 3050 ton
Bemanning Hollandklasse - 247 man
Frieslandklasse - 284 man
Voortstuwing Hollandklasse - 2 Werkspoor-Parsons stoomturbines met 2 ketels
Frieslandklasse - 4 Babcock & Wilcox ketels en 2 Werkspoor turbines
Maximale snelheid Hollandklasse - 32 knopen
Frieslandklasse - 36 knopen
Bewapening 2 12cm dubbelloops kanon
6 40mm-mitrailleurs (Hollandklasse 1 mitrailleur)
2 vierloops Bofors-raketdieptebom werpers
2 dieptebomrekken

Ontwikkeling en bouw
Met het ontwerpen en het voorbereidende werk voor de onderzeebootjagers werd direct na de oorlog begonnen. Wat toen onder de naam "Onderzeebootjagers 1947" werd ontworpen, werd later de klasse schepen die bekend stond onder de naam A-jagers, of "Hollandklasse" onderzeebootjagers. Het ontwerp van de A-jagers was gebaseerd op scheepsvormen en indelingen van de machinekamer en ketelruim van Britse marineschepen. Vanwege diverse ontwikkelen die gedaan waren tijdens de Tweede Wereldoorlog, werden de nieuwe jagers dusdanig ontworpen, dat zij gasdicht waren. Een andere ontwikkeling die gedaan was het elektrische lassen, waardoor het vastzetten van de scheepshuid niet meer met klinknagels gedaan werd.
De vier A-klasse jagers werden gebouwd door drie verschillende scheepswerven. De Hr.Ms. Holland werd gebouwd door de RDM en de Hr.Ms. Gelderland door Dok- en Werfmaatschappij Wilton-Fijenoord. De Koninklijke Maatschappij de Schelde bouwde de Hr.Ms. Noord-Brabant en de Hr.Ms. Zeeland. De bouw van de jagers werd vertraagd door financiële problemen van de Nederlandse marine. Daarbij werd er ernstig getwijfeld over de stabiliteit van de nieuwe schepen, waardoor er extra maatregelen zoals het bouwen van de mastconstructie met aluminium in plaats van staal. De vier onderzeebootjagers kregen apparatuur aan boord die tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd werden voor de Duitse marine. Naast deze vier onderzeebootjagers werden nog twee andere jagers gepland, maar wegens kostenbesparingen werd de bouw van deze schepen uitgesteld.
In 1948 werd bekendgemaakt dat de Nederlandse marine naast de vier "Hollandklasse" schepen, nog eens acht onderzeebootjagers zou aanschaffen. Deze schepen stonden beter bekend als de B-klasse, of "Frieslandklasse" onderzeebootjagers. De NDSM zou het contract krijgen om vier jagers (de Hr.Ms. Friesland, Hr.Ms. Groningen, Hr.Ms. Drenthe en Hr.Ms. Amsterdam). De KMS bouwde twee schepen (Hr.Ms. Limburg en Hr.Ms. Utrecht) en Wilton Fijenoord bouwde ook twee schepen (Hr.Ms. Overijssel en Hr.Ms. Rotterdam").
De ontwerpen van de A-klasse en B-klasse verschilden onderling van elkaar. De "Hollandklasse" onderzeebootjagers waren iets kleiner dan de "Frieslandklasse", zowel als in de lengte en de breedte als de diepgang en de waterverplaatsing. De "Hollandklasse" onderzeebootjagers waren uitgerust met een stoomturbine-installatie van 45.000 apk, terwijl een onderzeebootjager van de "Frieslandklasse" een installatie kreeg die een vermogen van 60.000 apk kon ontwikkelen. De schepen werden met behulp van twee roeren bestuurd. De maximum snelheid van de "Hollandklasse" jagers bedroeg 32 knopen, die van de "Frieslandklasse" 36 knopen.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was er niet veel meer over van de Nederlandse vloot. Veel schepen zijn tot zinken gebracht of hebben bij het uitbreken van de oorlog hun werf van aanbouw niet kunnen verlaten. De drie grote vooroorlogse kruisers, Hr.Ms. Java, Sumatra en De Ruyter, hadden de oorlog niet overleeft. Het materieel wat de oorlog wel overleefde, zoals de lichte kruisers "Hr.Ms. Tromp" en "Hr.Ms. Jacob van Heemskerck" waren door het intensieve oorlogsgebruik versleten. De bouw van de twee achtergelaten kruisers werd hervat. De bouw begon met de opdracht om beide kruisercasco's te conserveren en vervolgens de toestand van de casco's in kaart te brengen. In samenwerking met de Britten werd onderzocht of de kruisers op zinvolle manier konden worden afgebouwd. In 1946 werd door de minister van marine officieel goedkeuring gegeven voor de afbouw van de kruisers.

Inzet van de onderzeebootjagers
De onderzeebootjagers van de "Hollandklasse" hebben een groot deel van hun operationele inzet bij de Nederlandse marine aan de ketting gelegen. De Nederlandse marine beschikte in de periode van de jaren '50 tot eind jaren '60 over een groot aantal marineschepen, maar te weinig financieel middelen of personeel om te varen met de schepen. Veel marineschepen werden in conservatie gebracht, waaronder dus de onderzeebootjagers van de "Hollandklasse". De "Holland", die in 1954 in dienst was gesteld, werd een jaar later uit dienst gesteld om tot 1962 geconserveerd te worden. De "Zeeland" werd in de periode van 1956 tot 1965 in conservatie gezet, De "Noord Brabant" van 1955 tot 1965 en de "Gelderland" van 1962 tot 1969.
De B-jagers werden in tegenstelling tot de A-jagers intensief gebruikt. Deze onderzeebootjagers waren de werkpaarden van de vloot, en waren vaak onderdeel van een smaldeel ter bescherming van schepen als de Karel Doorman en de kruisers. De schepen zijn ingezet in de wateren rondom Nederlands Nieuw-Guinea, het Caribisch gebied en als schip van de wacht op de Noordzee. Een aantal jagers van de "Frieslandklasse" zijn ingezet in gewapende conflicten tegen Indonesische eenheden bij Nederlands Nieuw Guinea. De "Hr.Ms. Utrecht" verdreef motorboten, de "Hr.Ms. Limburg" voerde een aanval uit op vijandelijke vliegtuigen en de "Hr.Ms. Friesland" sloeg een Indonesische landingspoging af op het eiland Misool.

Inzet
De onderzeebootjagers van de "Hollandklasse" hebben een groot deel van hun operationele inzet bij de Nederlandse marine aan de ketting gelegen. De Nederlandse marine beschikte in de periode van de jaren '50 tot eind jaren '60 over een groot aantal marineschepen, maar te weinig financieel middelen of personeel om te varen met de schepen. Veel marineschepen werden in conservatie gebracht, waaronder dus de onderzeebootjagers van de "Hollandklasse". De "Holland", die in 1954 in dienst was gesteld, werd een jaar later uit dienst gesteld om tot 1962 geconserveerd te worden. De "Zeeland" werd in de periode van 1956 tot 1965 in conservatie gezet, De "Noord Brabant" van 1955 tot 1965 en de "Gelderland" van 1962 tot 1969.
De B-jagers werden in tegenstelling tot de A-jagers intensief gebruikt. Deze onderzeebootjagers waren de werkpaarden van de vloot, en waren vaak onderdeel van een smaldeel ter bescherming van schepen als de Karel Doorman en de kruisers. De schepen zijn ingezet in de wateren rondom Nederlands Nieuw-Guinea, het Caribisch gebied en als schip van de wacht op de Noordzee. Een aantal jagers van de "Frieslandklasse" zijn ingezet in gewapende conflicten tegen Indonesische eenheden bij Nederlands Nieuw Guinea. De "Hr.Ms. Utrecht" verdreef motorboten, de "Hr.Ms. Limburg" voerde een aanval uit op vijandelijke vliegtuigen en de "Hr.Ms. Friesland" sloeg een Indonesische landingspoging af op het eiland Misool.

Schade en brand aan boord
In 1974 voer de "Noord-Brabant" op de Westerschelde en botste met een Britse Bulk Carrier. De Bulkcarrier probeerde een boei te ontwijken, toen het schip te ver door schoot en zich vervolgens midscheeps in de "Noord-Brabant" boorde. Bij dit incident kwamen twee machinisten om het leven. De schade was dermate groot, dat de marineleiding besloot het schip vroegtijdig uit dienst te stellen.
In 1980 brak er tijdens de laatste reis van "Hr.Ms. Drenthe" een grote brand uit. Hierbij kwamen twee bemanningsleden om het leven en raakten vier mannen gewond. Het schip was zwaar beschadigd. De brand werd veroorzaakt door een poging om crypte-papier te vernietigen in de stookketels. De "Drenthe" was onderweg naar het Caribisch gebied, toen het ongeluk gebeurde. Door de zware schade, moest het schip door de "Hr.Ms. Rotterdam" terug naar de haven worden gesleept. De bemanning van de "Drenthe" stapte over op de "Rotterdam" en de bemanning van de "Rotterdam" keerde terug naar Nederland. De "Hr.Ms. Drenthe" was dusdanig beschadigd, dat men besloot niet meer te repareren en te verkopen aan Peru. Aldaar werd het schip gerepareerd.

Verkoop aan Peru
In de jaren '60 waren kruisers met 6-inch kanon achterhaald geraakt. Er bestond echter belangstelling vanuit Latijns-Amerika, waar grote relieken uit de Tweede Wereldoorlog een sterk symbolische waarde hadden, al was de feitelijk gevechtswaarde niet groot meer. Peru had belangstelling voor de Nederlandse kruisers. Doordat de "Hr.Ms. De Ruyter" niet voorzien was van geleidewapens, nam de waarde van het schip in Nederlandse dienst snel af. Eind jaren '60 werden er plannen gemaakt om de kruiser van de sterkte te voeren. Het zusterschip, de "Hr.Ms. De Zeven Provinciën" zou voorlopig nog in dienst blijven en zou naast de twee nieuwe geleidewapen fregatten van de Trompklasse worden ingezet. In 1973 werd de "Hr.Ms. de Ruyter" bij de Peruaanse marine in dienst gesteld als de "Almirante Grau".
Ondertussen werd ook getwijfeld aan het plan om de "De Zeven Provinciën" te behouden. Het zou geen enkele zin hebben dat een klein land als Nederland er een schip van deze grootte op na houdt. In 1975 werd de kruiser dan ook aan de ketting gelegd en later dat jaar uit dienst gesteld. De kruiser zou pas worden verkocht wanneer het eerste geleidewapen fregat in dienst zou zijn gesteld.
In augustus 1976 werd de "De Zeven Provinciën" in dienst gesteld als de "BAP Aguirre".

Uit dienst en verkoop van de onderzeebootjagers
Eind jaren '60 en begin jaren '70 naderden de onderzeebootjagers van de A- en B-klasse het einde van hun levensduur. De schepen raakte verouderd en konden door de intrede van kruisvluchtwapens en snellere vliegtuigen een aanval niet afslaan. Eind jaren '60 werd gekeken naar een vervanger voor beide klassen onderzeebootjagers en in 1972 werd formeel een begin gemaakt aan het Standaard Fregat project.
Van de vier "Hollandklasse" onderzeebootjagers werd alleen de "Hr.Ms. Holland" verkocht. Samen met zeven jagers uit de "Frieslandklasse" werd het schip verkocht aan Peru. De "Hr.Ms. Zeeland", "Hr.Ms. Noord Brabant" en "Hr.Ms. Friesland" werden gesloopt. De "Hr.Ms. Gelderland" heeft tot 1988 aan de kade van het Marine Etablissement Amsterdam gelegen ten bate van de Technische Opleidingen Koninklijke Marine (TOKM). Het 12cm geschut werd verwijderd en geplaatst op de geleidewapen fregatten van de Trompklasse.
De onderzeebootjagers hebben een korte dienstperiode gehad bij de Peruaanse marine. De jagers werden in de periode van 1978 tot 1982 in dienst gesteld. De "ex-Hr.Ms. Utrecht" en "ex-Hr.Ms. Overijssel" werden al snel aan de ketting gelegd en gebruikt voor reserve onderdelen. Uiteindelijk zouden de twee jagers in 1990 definitief uit dienst gesteld en gesloopt worden. Vier jaar na de indienststelling werd de "ex-Hr.Ms. Drenthe" uit dienst gesteld in 1984. In 1986 werd de "ex Hr.Ms. Holland" uit de vaart genomen en gesloopt. De resterende jagers werden in 1991 buiten dienst gesteld en gesloopt. In Peruaanse dienst hebben de onderzeebootjagers niet veel gevaren. Het grootste deel van hun operationele dienstjaren voor Peru hebben de schepen aan de ketting gelegen.

SPECIFICATIES
Afmetingen Hollandklasse - lengte: 111,3m; breedte: 11,3m; diepgang: 3,88m
Frieslandklasse - lengte: 116m; breedte: 11,76m; diepgang: 3,99m
Water verplaatsing Hollandklasse - 2765 ton
Frieslandklasse - 3050 ton
Bemanning Hollandklasse - 247 man
Frieslandklasse - 284 man
Voortstuwing Hollandklasse - 2 Werkspoor-Parsons stoomturbines met 2 ketels
Frieslandklasse - 4 Babcock & Wilcox ketels en 2 Werkspoor turbines
Maximale snelheid Hollandklasse - 32 knopen
Frieslandklasse - 36 knopen
Bewapening 2 12cm dubbelloops kanon
6 40mm-mitrailleurs (Hollandklasse 1 mitrailleur)
2 vierloops Bofors-raketdieptebom werpers
2 dieptebomrekken