"Roofdierklasse" Patrol Craft Escorts (PCE) - Navy Inside Navy Inside

"Roofdierklasse" Patrol Craft Escorts (PCE)


Roofdierklasse

De "Roofdierklasse" waren fregatten die in de Verenigde Staten als "Patrol Craft Escorts (PCE)" voor Nederland gebouwd waren. De fregatten werden in het kader van het MDAP in bruikleen gegeven aan de Nederlandse marine en hebben van 1954 tot 1984 dienst gedaan als de "Roofdierklasse".

Specificaties

945 ton

Roofdierklasse

661 ton

Hr.Ms. Lynx
Totale waterverplaatsing

65

Roofdierklasse

97

Hr.Ms. Lynx
Bemanningsleden aan boord

15 knopen

Roofdierklasse

20 knopen

Hr.Ms. Lynx
Maximale snelheid

56,3m x 10,3m x 2,95m

Roofdierklasse

76,29m x 9,6m x 2,54m

Hr.Ms. Lynx
Lengte x breedte x diepgang

Mutual Defence Aid Program

Gezien de enorme lengte van de Atlantische en Pacifische kusten van de Verenigde Staten, samen met belangrijke routes door het Caribisch gebied, had de US Navy een zware taak aan het beschermen van de kustvaart. De kwetsbaarheid van de scheepvaart aan de oostkust werd genadeloos aangetoond door de Duitse U-boten. Er waren reeds vaartuigen van het type "Patrol Craft (PC)" in dienst, maar er was toch een grotere behoefte aan onderzeeboot schepen. In 1943 werd het "Patrol Craft Escort (PCE)" geïntroduceerd. Deze vaartuigen waren breder en langer dan de PC's en waren goed uitgerust. Het waren relatief goedkope vaartuigen die snel te bouwen waren.
Na de Tweede Wereldoorlog werd een aantal PCE's gebouwd om in bruikleen te worden gegeven. Het ging hier om zes vaartuigen van de "PCE-1604klasse", die in de periode van 1952 tot 1954 werden gebouwd. De zes schepen werden ten behoeve van de Nederlandse marine gebouwd, en zouden in het kader van het Mutual Defence Aid Program in bruikleen worden gegeven van de Nederlandse marine.

De PCE's werden in Nederlandse dienst geclassificeerd als fregat. De klasse, ook wel "Wolfklasse", was goed uitgerust en hadden een bereik van bijna 9000 zeemijl. De vaartuigen werden voor visserij-inspectietaken gebruikt, maar ook voor adelborstreizen en NAVO-oefeningen ingezet. De fregatten waren uitermate geschikt om te dienen als aangewezen schip van de wacht. De fregatten werden afwisselend in conservering geplaatst.
De fregatten werden vanaf 1954 in gebruik genomen. De vaartuigen, die door Amerika werden aangeduid met de boegnummers PCE 1604 tot en met PCE 1609, werden in dienst gesteld als de Hr.Ms. Wolf, Hr.Ms. Fret, Hr.Ms. Hermelijn, Hr.Ms. Vos, Hr.Ms. Panter en Hr.Ms. Jaguar.

In 1956 werd de "Roofdierklasse" uitgebreid met een zevende vaartuig: De Hr.Ms. Lynx. Het schip werd in opdracht van de Verenigde Staten van 1953 tot 1955 gebouwd als de "PCE 1626", door de Italiaanse scheepswerf "Breda Cantieri Navale SBA Mestre". Het kleine schip werd in het kader van de MDAP door de Verenigde Staten aan de Nederlandse marine aangeboden ter bruikleen. Het schip werd bij de eerste aankomst in Den Helder direct in reserve genomen. Het schip was voor Italië gebouwd en uitgerust, hetgeen in de praktijk voor problemen zorgde. Het schip zou moeten worden aangepast op het gebied van bewapening, elektronische uitrusting en voortstuwingsinstallaties. Daarbij zou het personeel moeten worden opgeleid om het schip operationeel te houden. De "Hr.Ms. Lynx" heeft enige tijd als volgschip voor het vliegkampschip de Hr.Ms. Karel Doorman gediend, maar had uiteindelijk toch operationeel weinig effect. Aangezien het onderhouden van het schip duur was, werd in overleg met de Verenigde Staten besloten om het schip in 1961 buiten dienst te stellen en weer over te dragen aan de Verenigde Staten. Hierop werd het schip aan Italië overgedragen en kreeg de naam "Aquila (F542)". De "Aquila" heeft tot 1991 dienst gedaan.

De oorspronkelijke zes vaartuigen werden in 1984 uit de vaart genomen, omdat deze vaartuigen sterk verouderd waren. De vaartuigen werden opgevolgd door de multipurpose fregatten van de Karel Doormanklasse. De vaartuigen van de "Roofdierklasse" zijn allemaal gesloopt.

 

Beeldbank

Afbeeldingen van deze klasse schepen