Walrusklasse onderzeeboten - Navy Inside Navyinside.nl
Navy Inside

Zoekveld

Navy Inside
De vier "Walrusklasse" onderzeeboten zijn sinds 1990 in dienst bij de Nederlandse marine. De klasse vormt de gehele onderzeebootvloot van de Nederlandse marine.
De vier "Walrusklasse" onderzeeboten zijn sinds 1990 in dienst bij de Nederlandse marine. De klasse vormt de gehele onderzeebootvloot van de Nederlandse marine.

Ontwikkeling en bouw

In de defensienota 1974 werd de vervanging van de twee oudste onderzeeboten van het drie-cilindertype, de "Dolfijnklasse", aan de orde gesteld. Hierbij werd uitgegaan van een blijvende behoeftestelling van zes onderzeeboten voor de onderzeedienst. De nieuwe onderzeebootklasse zou een verbetering vormen op de bestaande "Zwaardvisklasse" onderzeeboten. Het grootste verschil tussen de nieuwe boten en de "Zwaardvisklasse" zou het gebruik van staal met een hogere rekgrens zijn. Hiermee kon een grotere operationele duikdiepte worden bereikt. Tevens paste men ver doorgevoerde automatisering toe om daarmee personeel te besparen. Ook zouden de nieuwe boten een modern SEWACO-systeem krijgen, dat geheel van Nederlandse origine was.
In 1977 zou er een contractbestek geschreven moeten zijn. Er werden twee contractbestekken geschreven. Het bestek van de "Walrus I" bevatte weinig vernieuwingen ten opzichte van de "Zwaardvisklasse". Het bestek van de "Walrus II" beschreef een aangepaste onderzeeboot met een drukhuid van staal met een hogere rekgrens ene waarbij allerlei innovatieve elementen werden geïntroduceerd. Het bestek voor de "Walrus I" was netjes medio 1977 gereed, de "Walrus II" liet echter nog op zich wachten tot 1978. Gedurende de loop van het project werd aanvankelijk gestelde stafeisen meerdere malen herzien en gewijzigd. Zo werd er in 1978 de Mark 48 torpedo toegevoegd en het uitrusten van de nieuwe boten met een automatisch extern communicatiesysteem. In 1981 werd bekend gemaakt dat de onderzeeboten zouden worden uitgerust met een towed array sonar. In 1981 werd ook de Harpoon raket aangewezen als wapen tegen oppervlakteschepen. Deze geleidewapens zouden via de torpedobuizen gelanceerd moeten worden.
Als gevolg van de snelle technologische ontwikkelingen werden er gedurende het project meerdere technologische wijzigingen doorgevoerd. Deze aanpassingen hadden voornamelijk betrekking op aspecten als het uitgestraald geluid, de schokbestendigheid en het magnetische signatuur.
In 1979 kreeg de RDM de opdracht voor de bouw van de eerste onderzeeboot (bouwnummer 348) en later dat jaar volgde de opdracht voor de tweede onderzeeboot (bouwnummer 349). Beide boten zouden gebouwd worden volgens het "Walrus II-ontwerp". Ondanks het feit dat dit ontwerp nog niet gereed was, kreeg de RDM toch de order. De continuïteit van de nieuwbouwafdeling van de RDM werd op deze manier veilig gesteld. Tijdens de bouw van de eerste boot werd al snel duidelijk dat de nieuwe boten niet op dezelfde manier konden worden gebouwd als de boten van de "Zwaardvisklasse". Er moesten nieuwe berekeningen en proeven worden uitgevoerd om het ontwerp te kunnen voltooien. Ook was het bouwproject onderhevig aan leveringsproblemen. Dit alles zou gaan zorgen voor vertragingen, wat zou oplopen naar drie of vier jaar. Met de vertragingen stegen de kosten voor de bouw van de onderzeeboten enorm.
De tweede serie van twee onderzeeboten (bouwnummers 352 en 353) werd in 1985 in opdracht gegeven. Dee onderzeeboten waren bedoeld ter vervanging van de tweede serie drie-cilinder onderzeeboten, of "Potvisklasse". Een derde serie ter vervanging van de "Zwaardvisklasse" werd gepland voor begin de jaren '90. Deze zouden in 1995 en 1996 in dienst gesteld moeten worden. Uiteindelijk zijn deze boten nooit gebouwd.

Brand aan boord van de Walrus

Op 14 augustus 1986 brak brand uit aan boord van de "Walrus". Deze eerste onderzeeboot en naamgever van de klasse was het verst in bouw gevorderd. De precieze plaats van ontstaan of exacte oorzaak van de brand werd nooit achterhaald. Vermoedelijk is de brand ontstaan in de buurt van de wasplaats-korporaals en manschappen door een defect aan de elektrische werkverlichting. De beschadigde onderzeeboot werd gerepareerd en in 1987 werd gemeld dat deze reparaties voltooid waren. Door de brand liep de bouw van de Walrus dermate vertraging op, dat de tweede onderzeeboot met bouwnummer 349 als eerste onderzeeboot van de "Walrusklasse" in dienst werd gesteld met de naam "Zr.Ms. Zeeleeuw". De "Zr.Ms. Walrus" werd twee jaar later in dienst gesteld. De twee andere boten werden als "Zr.Ms Dolfijn" en "Zr.Ms. Bruinvis" in dienst gesteld.

Automatisering

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" hebben een hoge mate van automatisering. Een van de doelstellingen van de automatisering was een zo groot mogelijke bemanningsreductie. Dit hield in dat zowel de bewapening in de boeghuiskamer, als de voortstuwing en de verwante systemen in het achterschip volledig konden worden bewaakt en bestuurd vanuit de centrale in de midscheeps. Dit betekende een onbemande machinekamer. De boeghuiskamer zou alleen voor het herladen van de torpedobuizen moeten worden bezet. De onderzeeboten kregen twee van elkaar onafhankelijke geautomatiseerde systemen: het geautomatiseerde gevechtssysteem (GIPSY) en het geautomatiseerde platformbewakings- en bedieningssysteem. De inkomende gegevens van het GIPSY-systeem zou afkomstig zijn van de sonars, de EOV en eventueel periscopen en de radar. Op basis van deze gegevens berekent het systeem de wapeninstellingen. Het afvuren van de wapens geschiedt vanuit de centrale.
Aan bakboordzijde bevonden zich de roergangerspositie en het geïntegreerde monitor- en besturingssysteem voor alle platformfuncties. De roerganger beschikte over een stuurautomaat, waarmee de onderzeeboot op koers en diepte kon worden gestuurd. De boten beschikken over vier roeren, in een X-positie, waarbij alle vier roeren meedoen voor zowel koers- als dieptesturen. De complexe beweging wordt vertaald door de stuurautomaat. Behalve de X-roeren bevinden zich aan het "Sail" de voorduikroeren die ook worden bestuurd door de stuurautomaat.
Het platformbewakings- en bedieningssysteem was een geheel nieuw systeem. Het systeem bestaat uit een groot aantal sensoren, computers en systemen die de verschillende besturingsfuncties vervullen. Bij de in dienst stelling golden de "Walrusklasse" onderzeeboten als een van de meest moderne conventionele onderzeeboten die destijds operationeel waren.

Inzet

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" zijn eenmaal ondergedoken onzichtbaar, vrijwel geluidloos en moeilijk te detecteren door schepen, vliegtuigen en andere onderzeeboten. Dit maakt de boten zeer geschikt voor de bestrijding van oppervlakteschepen en onderzeeboten; de bescherming van de eigen eenheden; inlichtingenvergaring en early warning; en de uitvoering en ondersteuning van speciale operaties. Een onderzeeboot wordt doorgaans als eerste een missiegebied ingestuurd om informatie te verzamelen en de komst van een vlootverband te beveiligen en eventuele landoperaties voor te bereiden. De onderzeeboten kunnen tevens worden ingezet bij het afdwingen van internationale sancties.
De Nederlandse onderzeeboten behoren internationaal tot de top. De boten maken in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties. De boten worden vaak als waardige tegenstander gezien bij oefeningen. De onderzeeboten hebben in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties een groot bereik, waardoor zij vaak ingezet worden bij NAVO missies.

Modernisering

De "Walrusklasse" onderzeeboten zijn na twintig jaar dienst verouderd. Om de boten in dienst te houden moesten deze worden gemoderniseerd. In 2013 werd het contract voor het Instandhoudingsprogramma "Walrusklasse" (IP-W) getekend. Het programma behelst de conservering van de drukhuid, de vervanging van de sonar, navigatieperiscoop en GIPSY gevechtssysteem, verbeterde communicatiesystemen en aanpassingen aan een aantal platformsystemen. Alle vier de boten moeten in 2019 gemoderniseerd zijn. Met het instandhoudingsprogramma kunnen de boten tot medio 2025 operationeel worden gehouden. De Nederlandse marine is inmiddels begonnen met het voorbereiden van de vervanging van de "Walrusklasse" onderzeeboten.

Specificaties

Afmetingen lengte: 68m; breedte: 8,5m; diepgang: 7,5m
Water verplaatsing 2.450 ton (boven water), 2.800 ton (onder water)
Bemanning 55 man
Voortstuwing Diesel-electrisch
Maximale snelheid 11 knopen (boven water), 20 knopen (onder water)
Bewapening Mark 48 torpedo

Bemanningslijsten

Ontwikkeling en bouw

In de defensienota 1974 werd de vervanging van de twee oudste onderzeeboten van het drie-cilindertype, de "Dolfijnklasse", aan de orde gesteld. Hierbij werd uitgegaan van een blijvende behoeftestelling van zes onderzeeboten voor de onderzeedienst. De nieuwe onderzeebootklasse zou een verbetering vormen op de bestaande "Zwaardvisklasse" onderzeeboten. Het grootste verschil tussen de nieuwe boten en de "Zwaardvisklasse" zou het gebruik van staal met een hogere rekgrens zijn. Hiermee kon een grotere operationele duikdiepte worden bereikt. Tevens paste men ver doorgevoerde automatisering toe om daarmee personeel te besparen. Ook zouden de nieuwe boten een modern SEWACO-systeem krijgen, dat geheel van Nederlandse origine was.
In 1977 zou er een contractbestek geschreven moeten zijn. Er werden twee contractbestekken geschreven. Het bestek van de "Walrus I" bevatte weinig vernieuwingen ten opzichte van de "Zwaardvisklasse". Het bestek van de "Walrus II" beschreef een aangepaste onderzeeboot met een drukhuid van staal met een hogere rekgrens ene waarbij allerlei innovatieve elementen werden geïntroduceerd. Het bestek voor de "Walrus I" was netjes medio 1977 gereed, de "Walrus II" liet echter nog op zich wachten tot 1978. Gedurende de loop van het project werd aanvankelijk gestelde stafeisen meerdere malen herzien en gewijzigd. Zo werd er in 1978 de Mark 48 torpedo toegevoegd en het uitrusten van de nieuwe boten met een automatisch extern communicatiesysteem. In 1981 werd bekend gemaakt dat de onderzeeboten zouden worden uitgerust met een towed array sonar. In 1981 werd ook de Harpoon raket aangewezen als wapen tegen oppervlakteschepen. Deze geleidewapens zouden via de torpedobuizen gelanceerd moeten worden.
Als gevolg van de snelle technologische ontwikkelingen werden er gedurende het project meerdere technologische wijzigingen doorgevoerd. Deze aanpassingen hadden voornamelijk betrekking op aspecten als het uitgestraald geluid, de schokbestendigheid en het magnetische signatuur.
In 1979 kreeg de RDM de opdracht voor de bouw van de eerste onderzeeboot (bouwnummer 348) en later dat jaar volgde de opdracht voor de tweede onderzeeboot (bouwnummer 349). Beide boten zouden gebouwd worden volgens het "Walrus II-ontwerp". Ondanks het feit dat dit ontwerp nog niet gereed was, kreeg de RDM toch de order. De continuïteit van de nieuwbouwafdeling van de RDM werd op deze manier veilig gesteld. Tijdens de bouw van de eerste boot werd al snel duidelijk dat de nieuwe boten niet op dezelfde manier konden worden gebouwd als de boten van de "Zwaardvisklasse". Er moesten nieuwe berekeningen en proeven worden uitgevoerd om het ontwerp te kunnen voltooien. Ook was het bouwproject onderhevig aan leveringsproblemen. Dit alles zou gaan zorgen voor vertragingen, wat zou oplopen naar drie of vier jaar. Met de vertragingen stegen de kosten voor de bouw van de onderzeeboten enorm.
De tweede serie van twee onderzeeboten (bouwnummers 352 en 353) werd in 1985 in opdracht gegeven. Dee onderzeeboten waren bedoeld ter vervanging van de tweede serie drie-cilinder onderzeeboten, of "Potvisklasse". Een derde serie ter vervanging van de "Zwaardvisklasse" werd gepland voor begin de jaren '90. Deze zouden in 1995 en 1996 in dienst gesteld moeten worden. Uiteindelijk zijn deze boten nooit gebouwd.

Brand aan boord van de Walrus

Op 14 augustus 1986 brak brand uit aan boord van de "Walrus". Deze eerste onderzeeboot en naamgever van de klasse was het verst in bouw gevorderd. De precieze plaats van ontstaan of exacte oorzaak van de brand werd nooit achterhaald. Vermoedelijk is de brand ontstaan in de buurt van de wasplaats-korporaals en manschappen door een defect aan de elektrische werkverlichting. De beschadigde onderzeeboot werd gerepareerd en in 1987 werd gemeld dat deze reparaties voltooid waren. Door de brand liep de bouw van de Walrus dermate vertraging op, dat de tweede onderzeeboot met bouwnummer 349 als eerste onderzeeboot van de "Walrusklasse" in dienst werd gesteld met de naam "Zr.Ms. Zeeleeuw". De "Zr.Ms. Walrus" werd twee jaar later in dienst gesteld. De twee andere boten werden als "Zr.Ms Dolfijn" en "Zr.Ms. Bruinvis" in dienst gesteld.

Automatisering

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" hebben een hoge mate van automatisering. Een van de doelstellingen van de automatisering was een zo groot mogelijke bemanningsreductie. Dit hield in dat zowel de bewapening in de boeghuiskamer, als de voortstuwing en de verwante systemen in het achterschip volledig konden worden bewaakt en bestuurd vanuit de centrale in de midscheeps. Dit betekende een onbemande machinekamer. De boeghuiskamer zou alleen voor het herladen van de torpedobuizen moeten worden bezet. De onderzeeboten kregen twee van elkaar onafhankelijke geautomatiseerde systemen: het geautomatiseerde gevechtssysteem (GIPSY) en het geautomatiseerde platformbewakings- en bedieningssysteem. De inkomende gegevens van het GIPSY-systeem zou afkomstig zijn van de sonars, de EOV en eventueel periscopen en de radar. Op basis van deze gegevens berekent het systeem de wapeninstellingen. Het afvuren van de wapens geschiedt vanuit de centrale.
Aan bakboordzijde bevonden zich de roergangerspositie en het geïntegreerde monitor- en besturingssysteem voor alle platformfuncties. De roerganger beschikte over een stuurautomaat, waarmee de onderzeeboot op koers en diepte kon worden gestuurd. De boten beschikken over vier roeren, in een X-positie, waarbij alle vier roeren meedoen voor zowel koers- als dieptesturen. De complexe beweging wordt vertaald door de stuurautomaat. Behalve de X-roeren bevinden zich aan het "Sail" de voorduikroeren die ook worden bestuurd door de stuurautomaat.
Het platformbewakings- en bedieningssysteem was een geheel nieuw systeem. Het systeem bestaat uit een groot aantal sensoren, computers en systemen die de verschillende besturingsfuncties vervullen. Bij de in dienst stelling golden de "Walrusklasse" onderzeeboten als een van de meest moderne conventionele onderzeeboten die destijds operationeel waren.

Inzet

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" zijn eenmaal ondergedoken onzichtbaar, vrijwel geluidloos en moeilijk te detecteren door schepen, vliegtuigen en andere onderzeeboten. Dit maakt de boten zeer geschikt voor de bestrijding van oppervlakteschepen en onderzeeboten; de bescherming van de eigen eenheden; inlichtingenvergaring en early warning; en de uitvoering en ondersteuning van speciale operaties. Een onderzeeboot wordt doorgaans als eerste een missiegebied ingestuurd om informatie te verzamelen en de komst van een vlootverband te beveiligen en eventuele landoperaties voor te bereiden. De onderzeeboten kunnen tevens worden ingezet bij het afdwingen van internationale sancties.
De Nederlandse onderzeeboten behoren internationaal tot de top. De boten maken in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties. De boten worden vaak als waardige tegenstander gezien bij oefeningen. De onderzeeboten hebben in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties een groot bereik, waardoor zij vaak ingezet worden bij NAVO missies.

Modernisering

De "Walrusklasse" onderzeeboten zijn na twintig jaar dienst verouderd. Om de boten in dienst te houden moesten deze worden gemoderniseerd. In 2013 werd het contract voor het Instandhoudingsprogramma "Walrusklasse" (IP-W) getekend. Het programma behelst de conservering van de drukhuid, de vervanging van de sonar, navigatieperiscoop en GIPSY gevechtssysteem, verbeterde communicatiesystemen en aanpassingen aan een aantal platformsystemen. Alle vier de boten moeten in 2019 gemoderniseerd zijn. Met het instandhoudingsprogramma kunnen de boten tot medio 2025 operationeel worden gehouden. De Nederlandse marine is inmiddels begonnen met het voorbereiden van de vervanging van de "Walrusklasse" onderzeeboten.

Specificaties

Afmetingen lengte: 68m; breedte: 8,5m; diepgang: 7,5m
Water verplaatsing 2.450 ton (boven water), 2.800 ton (onder water)
Bemanning 55 man
Voortstuwing Diesel-electrisch
Maximale snelheid 11 knopen (boven water), 20 knopen (onder water)
Bewapening Mark 48 torpedo

Bemanningslijsten

Ontwikkeling en bouw

In de defensienota 1974 werd de vervanging van de twee oudste onderzeeboten van het drie-cilindertype, de "Dolfijnklasse", aan de orde gesteld. Hierbij werd uitgegaan van een blijvende behoeftestelling van zes onderzeeboten voor de onderzeedienst. De nieuwe onderzeebootklasse zou een verbetering vormen op de bestaande "Zwaardvisklasse" onderzeeboten. Het grootste verschil tussen de nieuwe boten en de "Zwaardvisklasse" zou het gebruik van staal met een hogere rekgrens zijn. Hiermee kon een grotere operationele duikdiepte worden bereikt. Tevens paste men ver doorgevoerde automatisering toe om daarmee personeel te besparen. Ook zouden de nieuwe boten een modern SEWACO-systeem krijgen, dat geheel van Nederlandse origine was.
In 1977 zou er een contractbestek geschreven moeten zijn. Er werden twee contractbestekken geschreven. Het bestek van de "Walrus I" bevatte weinig vernieuwingen ten opzichte van de "Zwaardvisklasse". Het bestek van de "Walrus II" beschreef een aangepaste onderzeeboot met een drukhuid van staal met een hogere rekgrens ene waarbij allerlei innovatieve elementen werden geïntroduceerd. Het bestek voor de "Walrus I" was netjes medio 1977 gereed, de "Walrus II" liet echter nog op zich wachten tot 1978. Gedurende de loop van het project werd aanvankelijk gestelde stafeisen meerdere malen herzien en gewijzigd. Zo werd er in 1978 de Mark 48 torpedo toegevoegd en het uitrusten van de nieuwe boten met een automatisch extern communicatiesysteem. In 1981 werd bekend gemaakt dat de onderzeeboten zouden worden uitgerust met een towed array sonar. In 1981 werd ook de Harpoon raket aangewezen als wapen tegen oppervlakteschepen. Deze geleidewapens zouden via de torpedobuizen gelanceerd moeten worden.
Als gevolg van de snelle technologische ontwikkelingen werden er gedurende het project meerdere technologische wijzigingen doorgevoerd. Deze aanpassingen hadden voornamelijk betrekking op aspecten als het uitgestraald geluid, de schokbestendigheid en het magnetische signatuur.
In 1979 kreeg de RDM de opdracht voor de bouw van de eerste onderzeeboot (bouwnummer 348) en later dat jaar volgde de opdracht voor de tweede onderzeeboot (bouwnummer 349). Beide boten zouden gebouwd worden volgens het "Walrus II-ontwerp". Ondanks het feit dat dit ontwerp nog niet gereed was, kreeg de RDM toch de order. De continuïteit van de nieuwbouwafdeling van de RDM werd op deze manier veilig gesteld. Tijdens de bouw van de eerste boot werd al snel duidelijk dat de nieuwe boten niet op dezelfde manier konden worden gebouwd als de boten van de "Zwaardvisklasse". Er moesten nieuwe berekeningen en proeven worden uitgevoerd om het ontwerp te kunnen voltooien. Ook was het bouwproject onderhevig aan leveringsproblemen. Dit alles zou gaan zorgen voor vertragingen, wat zou oplopen naar drie of vier jaar. Met de vertragingen stegen de kosten voor de bouw van de onderzeeboten enorm.
De tweede serie van twee onderzeeboten (bouwnummers 352 en 353) werd in 1985 in opdracht gegeven. Dee onderzeeboten waren bedoeld ter vervanging van de tweede serie drie-cilinder onderzeeboten, of "Potvisklasse". Een derde serie ter vervanging van de "Zwaardvisklasse" werd gepland voor begin de jaren '90. Deze zouden in 1995 en 1996 in dienst gesteld moeten worden. Uiteindelijk zijn deze boten nooit gebouwd.

Brand aan boord van de Walrus

Op 14 augustus 1986 brak brand uit aan boord van de "Walrus". Deze eerste onderzeeboot en naamgever van de klasse was het verst in bouw gevorderd. De precieze plaats van ontstaan of exacte oorzaak van de brand werd nooit achterhaald. Vermoedelijk is de brand ontstaan in de buurt van de wasplaats-korporaals en manschappen door een defect aan de elektrische werkverlichting. De beschadigde onderzeeboot werd gerepareerd en in 1987 werd gemeld dat deze reparaties voltooid waren. Door de brand liep de bouw van de Walrus dermate vertraging op, dat de tweede onderzeeboot met bouwnummer 349 als eerste onderzeeboot van de "Walrusklasse" in dienst werd gesteld met de naam "Zr.Ms. Zeeleeuw". De "Zr.Ms. Walrus" werd twee jaar later in dienst gesteld. De twee andere boten werden als "Zr.Ms Dolfijn" en "Zr.Ms. Bruinvis" in dienst gesteld.

Automatisering

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" hebben een hoge mate van automatisering. Een van de doelstellingen van de automatisering was een zo groot mogelijke bemanningsreductie. Dit hield in dat zowel de bewapening in de boeghuiskamer, als de voortstuwing en de verwante systemen in het achterschip volledig konden worden bewaakt en bestuurd vanuit de centrale in de midscheeps. Dit betekende een onbemande machinekamer. De boeghuiskamer zou alleen voor het herladen van de torpedobuizen moeten worden bezet. De onderzeeboten kregen twee van elkaar onafhankelijke geautomatiseerde systemen: het geautomatiseerde gevechtssysteem (GIPSY) en het geautomatiseerde platformbewakings- en bedieningssysteem. De inkomende gegevens van het GIPSY-systeem zou afkomstig zijn van de sonars, de EOV en eventueel periscopen en de radar. Op basis van deze gegevens berekent het systeem de wapeninstellingen. Het afvuren van de wapens geschiedt vanuit de centrale.
Aan bakboordzijde bevonden zich de roergangerspositie en het geïntegreerde monitor- en besturingssysteem voor alle platformfuncties. De roerganger beschikte over een stuurautomaat, waarmee de onderzeeboot op koers en diepte kon worden gestuurd. De boten beschikken over vier roeren, in een X-positie, waarbij alle vier roeren meedoen voor zowel koers- als dieptesturen. De complexe beweging wordt vertaald door de stuurautomaat. Behalve de X-roeren bevinden zich aan het "Sail" de voorduikroeren die ook worden bestuurd door de stuurautomaat.
Het platformbewakings- en bedieningssysteem was een geheel nieuw systeem. Het systeem bestaat uit een groot aantal sensoren, computers en systemen die de verschillende besturingsfuncties vervullen. Bij de in dienst stelling golden de "Walrusklasse" onderzeeboten als een van de meest moderne conventionele onderzeeboten die destijds operationeel waren.

Inzet

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" zijn eenmaal ondergedoken onzichtbaar, vrijwel geluidloos en moeilijk te detecteren door schepen, vliegtuigen en andere onderzeeboten. Dit maakt de boten zeer geschikt voor de bestrijding van oppervlakteschepen en onderzeeboten; de bescherming van de eigen eenheden; inlichtingenvergaring en early warning; en de uitvoering en ondersteuning van speciale operaties. Een onderzeeboot wordt doorgaans als eerste een missiegebied ingestuurd om informatie te verzamelen en de komst van een vlootverband te beveiligen en eventuele landoperaties voor te bereiden. De onderzeeboten kunnen tevens worden ingezet bij het afdwingen van internationale sancties.
De Nederlandse onderzeeboten behoren internationaal tot de top. De boten maken in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties. De boten worden vaak als waardige tegenstander gezien bij oefeningen. De onderzeeboten hebben in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties een groot bereik, waardoor zij vaak ingezet worden bij NAVO missies.

Modernisering

De "Walrusklasse" onderzeeboten zijn na twintig jaar dienst verouderd. Om de boten in dienst te houden moesten deze worden gemoderniseerd. In 2013 werd het contract voor het Instandhoudingsprogramma "Walrusklasse" (IP-W) getekend. Het programma behelst de conservering van de drukhuid, de vervanging van de sonar, navigatieperiscoop en GIPSY gevechtssysteem, verbeterde communicatiesystemen en aanpassingen aan een aantal platformsystemen. Alle vier de boten moeten in 2019 gemoderniseerd zijn. Met het instandhoudingsprogramma kunnen de boten tot medio 2025 operationeel worden gehouden. De Nederlandse marine is inmiddels begonnen met het voorbereiden van de vervanging van de "Walrusklasse" onderzeeboten.

Specificaties

Afmetingen lengte: 68m; breedte: 8,5m; diepgang: 7,5m
Water verplaatsing 2.450 ton (boven water), 2.800 ton (onder water)
Bemanning 55 man
Voortstuwing Diesel-electrisch
Maximale snelheid 11 knopen (boven water), 20 knopen (onder water)
Bewapening Mark 48 torpedo

Bemanningslijsten

Ontwikkeling en bouw

In de defensienota 1974 werd de vervanging van de twee oudste onderzeeboten van het drie-cilindertype, de "Dolfijnklasse", aan de orde gesteld. Hierbij werd uitgegaan van een blijvende behoeftestelling van zes onderzeeboten voor de onderzeedienst. De nieuwe onderzeebootklasse zou een verbetering vormen op de bestaande "Zwaardvisklasse" onderzeeboten. Het grootste verschil tussen de nieuwe boten en de "Zwaardvisklasse" zou het gebruik van staal met een hogere rekgrens zijn. Hiermee kon een grotere operationele duikdiepte worden bereikt. Tevens paste men ver doorgevoerde automatisering toe om daarmee personeel te besparen. Ook zouden de nieuwe boten een modern SEWACO-systeem krijgen, dat geheel van Nederlandse origine was.
In 1977 zou er een contractbestek geschreven moeten zijn. Er werden twee contractbestekken geschreven. Het bestek van de "Walrus I" bevatte weinig vernieuwingen ten opzichte van de "Zwaardvisklasse". Het bestek van de "Walrus II" beschreef een aangepaste onderzeeboot met een drukhuid van staal met een hogere rekgrens ene waarbij allerlei innovatieve elementen werden geïntroduceerd. Het bestek voor de "Walrus I" was netjes medio 1977 gereed, de "Walrus II" liet echter nog op zich wachten tot 1978. Gedurende de loop van het project werd aanvankelijk gestelde stafeisen meerdere malen herzien en gewijzigd. Zo werd er in 1978 de Mark 48 torpedo toegevoegd en het uitrusten van de nieuwe boten met een automatisch extern communicatiesysteem. In 1981 werd bekend gemaakt dat de onderzeeboten zouden worden uitgerust met een towed array sonar. In 1981 werd ook de Harpoon raket aangewezen als wapen tegen oppervlakteschepen. Deze geleidewapens zouden via de torpedobuizen gelanceerd moeten worden.
Als gevolg van de snelle technologische ontwikkelingen werden er gedurende het project meerdere technologische wijzigingen doorgevoerd. Deze aanpassingen hadden voornamelijk betrekking op aspecten als het uitgestraald geluid, de schokbestendigheid en het magnetische signatuur.
In 1979 kreeg de RDM de opdracht voor de bouw van de eerste onderzeeboot (bouwnummer 348) en later dat jaar volgde de opdracht voor de tweede onderzeeboot (bouwnummer 349). Beide boten zouden gebouwd worden volgens het "Walrus II-ontwerp". Ondanks het feit dat dit ontwerp nog niet gereed was, kreeg de RDM toch de order. De continuïteit van de nieuwbouwafdeling van de RDM werd op deze manier veilig gesteld. Tijdens de bouw van de eerste boot werd al snel duidelijk dat de nieuwe boten niet op dezelfde manier konden worden gebouwd als de boten van de "Zwaardvisklasse". Er moesten nieuwe berekeningen en proeven worden uitgevoerd om het ontwerp te kunnen voltooien. Ook was het bouwproject onderhevig aan leveringsproblemen. Dit alles zou gaan zorgen voor vertragingen, wat zou oplopen naar drie of vier jaar. Met de vertragingen stegen de kosten voor de bouw van de onderzeeboten enorm.
De tweede serie van twee onderzeeboten (bouwnummers 352 en 353) werd in 1985 in opdracht gegeven. Dee onderzeeboten waren bedoeld ter vervanging van de tweede serie drie-cilinder onderzeeboten, of "Potvisklasse". Een derde serie ter vervanging van de "Zwaardvisklasse" werd gepland voor begin de jaren '90. Deze zouden in 1995 en 1996 in dienst gesteld moeten worden. Uiteindelijk zijn deze boten nooit gebouwd.

Brand aan boord van de Walrus

Op 14 augustus 1986 brak brand uit aan boord van de "Walrus". Deze eerste onderzeeboot en naamgever van de klasse was het verst in bouw gevorderd. De precieze plaats van ontstaan of exacte oorzaak van de brand werd nooit achterhaald. Vermoedelijk is de brand ontstaan in de buurt van de wasplaats-korporaals en manschappen door een defect aan de elektrische werkverlichting. De beschadigde onderzeeboot werd gerepareerd en in 1987 werd gemeld dat deze reparaties voltooid waren. Door de brand liep de bouw van de Walrus dermate vertraging op, dat de tweede onderzeeboot met bouwnummer 349 als eerste onderzeeboot van de "Walrusklasse" in dienst werd gesteld met de naam "Zr.Ms. Zeeleeuw". De "Zr.Ms. Walrus" werd twee jaar later in dienst gesteld. De twee andere boten werden als "Zr.Ms Dolfijn" en "Zr.Ms. Bruinvis" in dienst gesteld.

Automatisering

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" hebben een hoge mate van automatisering. Een van de doelstellingen van de automatisering was een zo groot mogelijke bemanningsreductie. Dit hield in dat zowel de bewapening in de boeghuiskamer, als de voortstuwing en de verwante systemen in het achterschip volledig konden worden bewaakt en bestuurd vanuit de centrale in de midscheeps. Dit betekende een onbemande machinekamer. De boeghuiskamer zou alleen voor het herladen van de torpedobuizen moeten worden bezet. De onderzeeboten kregen twee van elkaar onafhankelijke geautomatiseerde systemen: het geautomatiseerde gevechtssysteem (GIPSY) en het geautomatiseerde platformbewakings- en bedieningssysteem. De inkomende gegevens van het GIPSY-systeem zou afkomstig zijn van de sonars, de EOV en eventueel periscopen en de radar. Op basis van deze gegevens berekent het systeem de wapeninstellingen. Het afvuren van de wapens geschiedt vanuit de centrale.
Aan bakboordzijde bevonden zich de roergangerspositie en het geïntegreerde monitor- en besturingssysteem voor alle platformfuncties. De roerganger beschikte over een stuurautomaat, waarmee de onderzeeboot op koers en diepte kon worden gestuurd. De boten beschikken over vier roeren, in een X-positie, waarbij alle vier roeren meedoen voor zowel koers- als dieptesturen. De complexe beweging wordt vertaald door de stuurautomaat. Behalve de X-roeren bevinden zich aan het "Sail" de voorduikroeren die ook worden bestuurd door de stuurautomaat.
Het platformbewakings- en bedieningssysteem was een geheel nieuw systeem. Het systeem bestaat uit een groot aantal sensoren, computers en systemen die de verschillende besturingsfuncties vervullen. Bij de in dienst stelling golden de "Walrusklasse" onderzeeboten als een van de meest moderne conventionele onderzeeboten die destijds operationeel waren.

Inzet

De onderzeeboten van de "Walrusklasse" zijn eenmaal ondergedoken onzichtbaar, vrijwel geluidloos en moeilijk te detecteren door schepen, vliegtuigen en andere onderzeeboten. Dit maakt de boten zeer geschikt voor de bestrijding van oppervlakteschepen en onderzeeboten; de bescherming van de eigen eenheden; inlichtingenvergaring en early warning; en de uitvoering en ondersteuning van speciale operaties. Een onderzeeboot wordt doorgaans als eerste een missiegebied ingestuurd om informatie te verzamelen en de komst van een vlootverband te beveiligen en eventuele landoperaties voor te bereiden. De onderzeeboten kunnen tevens worden ingezet bij het afdwingen van internationale sancties.
De Nederlandse onderzeeboten behoren internationaal tot de top. De boten maken in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties. De boten worden vaak als waardige tegenstander gezien bij oefeningen. De onderzeeboten hebben in vergelijking met onderzeeboten van bevriende naties een groot bereik, waardoor zij vaak ingezet worden bij NAVO missies.

Modernisering

De "Walrusklasse" onderzeeboten zijn na twintig jaar dienst verouderd. Om de boten in dienst te houden moesten deze worden gemoderniseerd. In 2013 werd het contract voor het Instandhoudingsprogramma "Walrusklasse" (IP-W) getekend. Het programma behelst de conservering van de drukhuid, de vervanging van de sonar, navigatieperiscoop en GIPSY gevechtssysteem, verbeterde communicatiesystemen en aanpassingen aan een aantal platformsystemen. Alle vier de boten moeten in 2019 gemoderniseerd zijn. Met het instandhoudingsprogramma kunnen de boten tot medio 2025 operationeel worden gehouden. De Nederlandse marine is inmiddels begonnen met het voorbereiden van de vervanging van de "Walrusklasse" onderzeeboten.

Specificaties

Afmetingen lengte: 68m; breedte: 8,5m; diepgang: 7,5m
Water verplaatsing 2.450 ton (boven water), 2.800 ton (onder water)
Bemanning 55 man
Voortstuwing Diesel-electrisch
Maximale snelheid 11 knopen (boven water), 20 knopen (onder water)
Bewapening Mark 48 torpedo

Bemanningslijsten