Zr.Ms. Bruinvis is het vierde en laatste schip van de Walrusklasse en vormt daarmee het sluitstuk van de Nederlandse onderzeebootbouw. De naam Bruinvis verwijst naar de bruinvis, een kleine walvisachtige die bekendstaat om zijn discretie, wendbaarheid en vermogen om ongezien te opereren in kust- en open water.
De kiellegging vond plaats op 14 april 1988 bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM). De bouw van Bruinvis profiteerde van de ervaring die bij de eerdere drie boten was opgedaan, waardoor het proces relatief efficiënt verliep. De onderzeeboot werd te water gelaten op 25 april 1992 en in dienst gesteld op 5 juli 1994.
Bruinvis deelt alle kernkenmerken van de Walrusklasse: een hydrodynamische druppelvormige romp, een X‑roer voor optimale manoeuvreerbaarheid en een stille dieselelektrische voortstuwing die haar uitzonderlijk moeilijk detecteerbaar maakt. Ze beschikt over een moderne sonar‑suite, een optronische mast, geavanceerde automatisering en vier torpedobuizen voor Mark 48‑torpedo’s. Dankzij haar lage akoestische signatuur en grote operationele reikwijdte is Bruinvis inzetbaar voor inlichtingenvergaring, onderzeebootbestrijding, verkenning, speciale operaties en langdurige NAVO‑missies op grote afstand.
Zr.Ms. Bruinvis blijft inzetbaar tot begin jaren 2030. Vanaf circa 2034 wordt zij uitgefaseerd, parallel aan de instroom van de nieuwe Nederlandse variant van de Barracuda‑klasse. Als laatste operationele eenheid van de Walrusklasse zal haar uitdienststelling een symbolisch moment vormen: het definitieve einde van een tijdperk waarin Nederland een van de meest capabele conventionele onderzeebootklassen ter wereld bezat.